De UNIENFTO is een onafhankelijke vakorganisatie die opkomt voor de rechtspositionele
en onderwijskundige belangen van haar leden.

Welkom bij de UNIENFTO !

De UNIENFTO is een onafhankelijke vakorganisatie die opkomt voor de rechtspositionele en onderwijskundige belangen van haar leden. Die leden zijn voor het overgrote deel werkzaam in de beroepskolom en het voortgezet onderwijs. Bovendien heeft de UNIENFTO leden die werkzaam zijn bij de kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven.

De UNIENFTO heeft zowel leden onder het onderwijzend personeel als onder het onderwijsondersteunend personeel. De UNIENFTO is lid van de CMHF (Centrale voor Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen) en via die CMHF van de vakcentrale VCP. De onderwijsbonden binnen de CMHF, dus ook de UNIENFTO, hebben zich gebundeld in de FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties). 

 

Neem nu contact op  Meld u direct aan

Laatste nieuws

De Vakcentrale voor Professionals (VCP) heeft een film gemaakt over de pijnpunten in de pensioenonderhandelingen. De VCP zat aan tafel bij de pensioenonderhandelingen, die november vorig jaar stukliepen. “De film laat in heldere taal zien waardoor het overleg strandde en waarom ja zeggen in november geen optie was. Er liggen nog grote knelpunten om tot een goed, toekomstbestendig pensioenstelsel te komen”, zegt VCP-voorzitter Nic van Holstein. De film behandelt voor de VCP belangrijke onderdelen van de pensioenonderhandelingen, zoals pensioenopbouw, rekenrente en doorsneepremie. 

Onverwachte tegenvallers
In de film wordt uitgelegd waar de pensioenonderhandelingen in de kern om draaien. “Stel dat je er over twintig jaar achter komt dat je niet met je kleinkinderen naar de dierentuin kunt omdat de hoogte van je pensioen onverwacht tegenvalt. Dit zou zomaar werkelijkheid kunnen worden als het kabinet vorig jaar zijn zin had gekregen. In de film leggen we haarfijn uit hoe dat zit”, zegt Ruud Stegers. Hij is als VCP-bestuurslid nauw betrokken bij de pensioendiscussie en tevens een van de makers van de film. “Na het stuklopen van de onderhandelingen kwam er veel kritiek op de bonden dat ze te star zouden zijn geweest. Wij laten juist zien dat die kritiek volkomen onterecht is. De voorstellen van het kabinet waren veel te vaag en vrijblijvend. Veel mensen zouden erop achteruit zijn gegaan.”

Goede afspraken
In de video gaat Stegers de dialoog aan met Jacqueline van Langeraad, die als pensioenwoordvoerder verbonden is aan de bij de VCP aangesloten vakbond CMHF en tevens hoofdbestuurslid is van de UNIENFTO.

Stap voor stap leggen ze uit wat er nodig is voor een goed toekomstbestendig pensioencontract. “In de pensioendiscussie lijkt het al vaak alleen te gaan over AOW of over eerder stoppen met werken. Maar in werkelijkheid gaat het om veel meer dan dat. Het gaat om tientallen miljarden die we met z’n allen hebben opgebouwd. Als de pensioenopbouw zoals we die kennen, verdwijnt zonder goede compensatie, verdelen we een collectieve korting op ons pensioen die geschat wordt op 60 tot 100 miljard. Die dreigende verlaging van de pensioenen moet gecompenseerd worden en in de film leggen wij uit waarom.”

Geld voor later
VCP-voorzitter Nic van Holstein noemt de film een welkome aanvulling in de pensioendiscussie. “De onderhandelingen zijn vaak ingewikkeld, maar in de kern gaat het om de vraag hoeveel je later kunt uitgeven. Deze film maakt duidelijk waar de echte pijnpunten zitten. Het is goed dat iedereen hier kennis van kan nemen!”

Pensioencursus
Het idee voor de film ontstond na de landelijke actiedag op 18 maart. Stegers en Van Langeraad zouden toen op het Malieveld de nationale pensioencursus geven. Deze bijeenkomst werd op het laatste moment afgeblazen na de terreuraanslag in Utrecht. Daarop ontstond het idee van het materiaal een film te maken. 

De film is hier te bekijken.

In december vorig jaar berichtte minister Koolmees het Parlement over de stand van de uitvoering van de sociale zekerheid in Nederland. In deze rapportage werd melding gemaakt van een incident betreffende een foutieve gegevensuitwisseling tussen enerzijds de Sociale Verzekeringsbank (SVB) en anderzijds het APG. De SVB levert gegevens over AOW-gerechtigden aan het pensioenfonds ABP, via de uitvoerder van ABP, APG. Op basis van die gegevens draagt APG onder andere zorg voor de uitbetaling van de zogenaamde AOW-partnertoeslag. Door de foutieve gegevensuitwisseling kon het gebeuren dat een aantal deelnemers een te hoge aanvulling op de AOW uitbetaald kreeg. “Onlangs is gebleken dat zich een fout in de gegevensuitwisseling over de AOW- partnertoeslag heeft voorgedaan in de periode december 2013-mei 2015. Voor ruim 2.000 personen zijn geen wijzigingen in de AOW-partnertoeslag doorgegeven aan APG. ABP heeft als gevolg daarvan te hoge aanvullingen op de partnertoeslag betaald.” 

In februari werd het Verantwoordingsorgaan (VO) van ABP hierover geïnformeerd. De CMHF-fractie heeft naar aanleiding van dit incident en de berichtgeving daarover, gevraagd om het onderwerp toe te voegen aan de agenda van het al geplande overleg met het Bestuur van ABP op 28 maart. Ter voorbereiding daarop werd een uitgebreide lijst van vragen opgesteld, die gedeeld is met het VO en kon rekenen op brede ondersteuning van ook andere fracties binnen het VO. De CMHF-fractie heeft zijn zorgen uitgesproken over de gevolgen van dit incident voor de deelnemers die het betreft en het bestuur gevraagd in hoeverre bij de genomen stappen het belang van die deelnemers is meegewogen. Evenzeer is aan het Bestuur gevraagd in hoeverre de genomen besluiten een juridische toets zouden doorstaan. 

AOW-partnertoeslag 

De AOW-toeslag voor een partner is vanaf 2015 komen te vervallen. Vóór 2015 kwam men voor een toeslag boven op de AOW in aanmerking, als de partner nog niet AOW gerechtigd was en niet te veel verdiende. Op de AOW-toeslag wordt gekort al naar gelang de hoogte van de inkomsten van de nog werkende partner. Ook spelen de inkomsten van betrokkenen zelf een rol bij de uiteindelijke vaststelling van de hoogte van de toeslag. De ABP-regeling vult vervolgens aan. De hoogte van de toeslag kan per individu variëren al naar gelang zijn persoonlijke situatie. Bij een aanpassing van de hoogte van SVB-toeslag waar recht op bestaat beweegt de hoogte van de door ABP(APG) uit te betalen aanvulling mee: het zijn als het ware communicerende vaten. 

De uitvoeringsinstantie van ABP, APG, krijgt de benodigde gegevens aangeleverd van de Sociale verzekeringsbank (SVB). APG is daarbij dus afhankelijk van de gegevens zoals zij deze van de SVB krijgt. Op basis van die gegevens kan zij vervolgens de hoogte van de AOW- partneraanvulling berekenen. 

In de periode december 2013 - mei 2015 heeft de SVB voor 2.073 gepensioneerden geen wijzigingen in de inkomensgegevens van hun partner aangeleverd. Het gevolg hiervan is dat 632 gepensioneerden over die periode te weinig uitbetaald hebben gekregen. Zij krijgen dit nu alsnog uitgekeerd. Keerzijde is echter dat er ook 5551 gepensioneerden zijn die te veel aan aanvulling hebben ontvangen. De SVB betaalde de partnertoeslag evenals ABP, terwijl ABP normaal gesproken slechts hetgeen door de SVB niet is uitgekeerd aanvult. ABP vordert deze te veel betaalde aanvullingen nu terug. De terug te vorderen bedragen lopen hierbij uiteen van €12,- tot €20.000 euro. 

Gewijzigde aanlevering 

Het VO heeft het Bestuur vervolgens om nadere uitleg gevraagd over de aanlevering van de gegevens. Het Bestuur meldde ons dat ABP(APG) logischerwijs niet kon weten dat er gegevens ontbraken, aangezien ABP op jaarbasis circa 25.000 herzieningen in pensioenuitkeringen verwerkt naar aanleiding van de door de SVB aangeleverde gegevens. Op dat grote aantal meldingen valt het ontbreken van gegevens niet op. 

De gegevensuitwisseling tussen SVB en ABP(APG) is een procedure die loopt sinds 2003. Medio 2013 heeft ABP de SVB verzocht om, gelet op de omvang van uit te wisselen gegevens, alleen nog relevante gegevens door te sturen. Naar aanleiding daarvan heeft de SVB een filter op de stroom uitgaande gegevens geplaats om het mogelijk te maken dat de gegevensuitwisseling zich zou beperken tot de relevante gegevens. Eind 2014 ontdekte men dat het filter “te strak” stond afgesteld en mogelijk niet alle relevante mutaties aan APG werden of zouden zijn doorgegeven. Hierop is door de SVB het filter aangepast. Omdat het naar de inschatting van APG mogelijk om een beperkt aantal “gemiste gegevens” zou gaan, heeft APG op dat moment niets met dit signaal gedaan, temeer daar de oorspronkelijke situatie weer was hersteld. 

Op 28 augustus 2018 volgt vervolgens het bericht van de SVB dat zij in die periode van december 2013 – mei 2015 verzuimd heeft 8000 regels met inkomenswijzigingen van deelnemers over de periode door te geven. Het betrof in totaliteit 2073 deelnemers. 

Onbewust te veel ontvangen? 

De vraag is of de deelnemers hadden kunnen weten dat de uitkering die zij ontvingen qua hoogte niet klopte. Het is lastig in de hoofden van mensen te kijken, maar als deelnemers mij nu benaderen en zeggen hoe ze verrast werden van de melding van een onjuiste uitkering, ga ik uit van hun goeder trouw. Het zure is dan ook dat die betrokkenen op geen enkele wijze een signaal hadden gehad dat zij te veel, dan wel te weinig ontvingen. APG, de uitvoerder van ABP, kreeg de gegevens immers rechtsreeks van de SVB. 

Bij 630 gepensioneerden is een te hoge aanvulling vastgesteld maar bij 75 gepensioneerden gaat het om een klein bedrag van minder dan € 12,50. In die situaties vordert ABP het bedrag niet terug. 

De betrokkenen hebben dus zelf niet iets vergeten door te geven, of zijn anderszins in gebreke gebleven; zij hebben geen invloed gehad op die wisseling van gegevens tussen de SVB en APG . Op het GUPO2 worden wel aanvullingen vermeld, echter niet apart, maar als onderdeel van het ouderdomspensioen en voor de gepensioneerden is die aanvulling dus niet als zodanig te onderkennen. Het Bestuur meldde, naar aanleiding van vragen uit het VO over de ‘duidelijkheid en leesbaarheid van het GUPO’ dat het GUPO in belangrijke mate is voorgeschreven en dat afwijkingen met aanvullende informatie maar beperkt zijn toegestaan. “Daarnaast mogen en kunnen aan het GUPO geen rechten worden ontleend, hetgeen recentelijk door Minister Koolmees nogmaals bevestigd is”, aldus het Bestuur. 

Terugvorderen 

Het Bestuur van ABP heeft het VO uitgelegd dat op basis van het civiele recht, hetgeen onverschuldigd is betaald, kan worden teruggevorderd. Er wordt gehandeld conform het reguliere en geldende ABP herzienings- en terugvorderingsbeleid, mede vanuit het oogpunt van solidariteit en het collectieve belang van alle andere deelnemers in het fonds. Dit beleid houdt in dat wanneer de correctie van de pensioenuitkering binnen 6 maanden na aanvang van de onjuiste betaling of na ontvangst van de gewijzigde feiten plaatsvindt, ABP het ten onrechte uitbetaalde pensioen terugvordert met maximaal 5 jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de correctiebeslissing. In de ogen van het Bestuur valt de foutieve gegevensuitwisseling hier onder omdat het feit pas onlangs bekend is geworden. 

Wanneer de correctie van de pensioenuitkering niet binnen 6 maanden na aanvang van de onjuiste betaling of na ontvangst van de gewijzigde feiten plaatsvindt, kijkt ABP of de foutieve betaling aan toedoen van betrokkene te wijten is. Als de foutieve betaling niet aan toedoen van betrokkene te wijten is dan onderzoekt ABP of betrokkene wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat hij te veel ontving. Als dit niet het geval is dan vindt geen terugvordering plaats. Als dit wel het geval is dan vindt terugvordering plaats met maximaal 2 jaar terugwerkende kracht vanaf de datum van de correctiebeslissing. ABP vordert niet of niet de hele periode van maximaal 2 jaar terug, als het zelf niet doortastend en doeltreffend gereageerd heeft op ontvangen signalen dat de pensioenberekening onjuist is. 

Kamervragen Omtzigt 

Diverse gepensioneerden zochten contact met hun vakbond (ook binnen de CMHF) en de pers. Kamerlid Pieter Omtzigt zag reden hierin om enkele Kamervragen aan minister Koolmees te stellen. 

Uniform Pensioenoverzicht Pensioengerechtigden. Pas begin 2018 is voor het eerst de GUPO verstuurd. De gepensioneerden ontvingen in eerdere jaren alleen een betaalspecificatie in januari van iedere jaar zodra zij/hij gepensioneerd was. 

Hieruit komt een iets ander beeld naar voren. Omdat APG te veel mutaties binnenkreeg van de SVB verzocht APG om minder gegevens aangeleverd te krijgen, namelijk alleen de voor APG relevante inkomensmutaties. Hierop heeft de SVB in december 2013 een filter geplaatst in de gegevensuitwisseling. Na invoering van het filter heeft de SVB in oktober 2014 gemeld dat zij mogelijk niet alle relevante inkomensmutaties meer had doorgegeven aan APG. De SVB heeft eind 2014, in afstemming met APG, besloten om het filter te verwijderen. In de release van mei 2015 heeft de SVB het filter verwijderd. Sindsdien geeft zij alle nieuwe mutaties weer correct door aan APG. APG en de SVB hebben in 2014 en 2015 meermaals gesproken over gemiste inkomensmutaties. APG heeft eind 2015 voor ruim 1500 mensen gemiste inkomensgegevens opgevraagd bij de SVB, die deze data ook heeft geleverd. Naar nu blijkt is in het herstel van de gemiste gegevens niet volledig geweest. Hierdoor bleef APG de aanvulling baseren op het oude, onjuiste inkomensgegevens van de partner en heeft APG deze ook niet herzien. 

Kamerlid Omtzigt informeerde ook bij de minister of deze mensen redelijkerwijs hadden kunnen weten dat zij niet een juiste pensioenuitkering ontvingen. Het antwoord van de minister: ”De getroffen ouderdoms- of nabestaandenpensioengerechtigden hebben uit algemene brieven kunnen weten dat zij uitsluitend rechten op pensioen konden ontlenen aan het pensioenreglement van het ABP. In de jaarlijkse uitkeringsspecificatie neemt het ABP geen disclaimer op die duidelijk maakt dat de bedragen mogelijk niet correct zijn. De hoogte van de aanvulling op het pensioen was niet nader gespecifieerd in het betreffende toekenningsbericht.” 

Extern verhalen 

Het VO heeft geïnformeerd of het Bestuur van ABP niet de uitvoeringsorganisatie APG verantwoordelijk kon stellen en dus het te veel uitbetaalde kon verhalen op APG. Naar mening van het bestuur is er geen sprake van een “fout” van de uitvoeringsorganisatie. Vandaar dat de vorderingen ook niet worden verhaald op APG. De werkprocessen tussen SVB en APG zijn via een overeenkomst geformaliseerd en er is dus op basis van regels afgesproken hoe te handelen. SVB heeft in deze specifieke casus niet gehandeld conform hetgeen is afgesproken in de overeenkomst. Dezelfde verhaalvraag heeft het VO ook gesteld ten aanzien van de SVB. Het Bestuur is wel voornemens om alle bedragen die niet teruggevorderd kunnen worden, te verhalen op de SVB. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer een beroep op een coulanceregeling wordt gedaan. 

Gerechtvaardigd vertrouwen 

We hebben namens onze combinatie-fractie het Bestuur gevraagd of bij het besluit om terug te vorderen, ook de uitspraken van de ombudsman pensioenen en de kantonrechter meegewogen zijn. 

Op basis van Artikel 3:35 van het Burgerlijk Wetboek, was de ombudsman van mening dat een pensioenuitvoerder in het algemeen wel het recht heeft een gemaakte fout te herstellen, maar dat indien de deelnemer er redelijkerwijs op mocht vertrouwen dat de opgave juist was, dit mogelijk wel anders ligt. Ook hebben wij het Bestuur gewezen op de uitspraak van de kantonrechter te Amsterdam in mei 2014. Hier oordeelde de rechter dat het pensioenfonds het te veel betaalde ouderdomspensioen over het verleden niet mocht terugvorderen, maar wel de toekomstige uitkeringen mocht verlagen. De kantonrechter nam in zijn oordeel mee dat ouderdomspensioen in beginsel is bedoeld om te voorzien in het maandelijkse levensonderhoud, waardoor iemand, net als bij alimentatie, zijn levensonderhoud hierop mag afstemmen. Het Bestuur heeft een juridische toets uit laten voeren en alles is meegewogen alvorens men besloten heeft over te gaan tot terugvorderen. 

Standpunt CMHF 

De CMHF is van mening dat in algemene zin betrokkenen niet de dupe mogen worden van een verkeerde uitvoering van in dit geval de SVB en APG, op die momenten dat zij zelf niet in gebreke zijn geweest bij het aanreiken van gegevens en/of het doorgeven van wijzigingen in de persoonlijke situatie. Hier valt ook onder het constateren dat het uitkeringsniveau in hoogte substantieel afwijkt van eerdere uitkeringen. Het probleem hierbij is dat dit voor eenieder anders zal zijn en als eerder gezegd zijn er betrokken deelnemers nu oprecht verrast en zich niet bewust van op enigerlei verkeerd handelen. In dat geval past het om enige coulance toe te passen bij de wijze waarop en in welke mate je wil terugvorderen. Dit temeer de bedragen per individu kunnen oplopen tot duizenden euro’s. Maar we realiseren ons tegelijkertijd dat wij ook de belangen behartigen van alle andere deelnemers en het is ook niet redelijk dat zij nu meebetalen aan het oplossen van de fouten die primair gemaakt zijn door APG en de SVB. 

Er moet een oplossing zijn die de deelnemers die thans geconfronteerd worden met een (terug)vordering recht doet, maar die ook het algehele belang van alle deelnemers en het fonds in het oog houdt, Onze eerste insteek zou zijn dat daar waar de fouten in de uitvoering gemaakt zijn op de blaren moet worden gezeten. Dit betekent dat in eerste instantie de te veel betaalde bedragen zullen moeten worden verhaald op APG, dan wel de SVB. Indien een dergelijke route een onbegaanbaar pad lijkt, vindt de CMHF het redelijk als er een insteek wordt gekozen waarbij een deel van de vordering wordt geïnd en een deel van de vordering wordt kwijtgescholden, om zo aan de belangen van iedereen tegemoet te kunnen komen. 

Jacqueline van Langeraad 

Hans Leijh 

 

Dit jaar organiseert de CMHF, waartoe de UNIENFTO behoort, een nieuwe tweedaagse OR-Workshop (voor meer info: zie onderaan deze brief!). 

Bent u OR-lid of overweegt u zich kandidaat te stellen voor een OR? Dan kunt u zich nu opgeven.

Er zijn twee data - afhankelijk van de meeste aanmeldingen gaat één van deze twee workshops door:

1. dinsdag 8 en woensdag 9 oktober

of

2. dinsdag 19 en woensdag 20 november.

Wilt u meedoen met de CMHF-OR-workshop? *)

U kunt zich opgeven d.m.v. het invullen van het algemene aanmeldingsformulierdat te vinden is op de website van de CMHF: www.cmhf.nl.

Geeft u dan s.v.p. aan voor elke workshop (1, of 2, of 1 en 2) u zich aanmeldt (dat kan dus voor beide) - er gaat uiteindelijk maar één workshop daadwerkelijk door.

De tweedaagse OR-workshop is inclusief overnachting en bent u al OR-lid? Dan zijn deze tweedaagse kadertrainingen gezien de bepalingen in uw rechtspositieregeling t.a.v. buitengewoon verlof voor kaderactiviteiten en -cursussen, over het algemeen verder zonder kosten (m.u.v. reiskosten); kijkt u dit s.v.p. even na. Aan het verblijf in het conferentiehotel zijn in ieder geval voor u geen kosten verbonden.

Heeft u vragen? Belt u dan met het secretariaat van de CMHF, Anja van Kleffens, 0703499666 (m.u.v. de woensdagen alle werkdagen op kantoor). 

*) heeft u al eerder een tweedaagse training van de CMHF bijgewoond? Dan is dit geen belemmering om deze training bij te wonen. 

Voor meer informatie, KLIK HIER.......

Op 27 maart jl. hebben de vakbonden, waaronder de UNIENFTO, weer overleg met SBB gehad over de nieuwe CAO SBB.

Dit overleg stond vooral in het teken van het leeftijdsfasebewust personeelsbeleid (Levensfaseverlof) en duurzame inzetbaarheid. Het gaat hierbij om vitaliteit, mobiliteit  en ontwikkeling.

Op 8 mei a.s. wordt het cao-overleg voortgezet. De hiervoor genoemde thema’s zullen dan verder uitgediept worden.

Wij vragen namens partijen bij de cao mbo aandacht voor de volgende oproep die recent naar de mbo-instellingen is verstuurd in verband met experimenten op het gebied van “wendbaarheid van het beroepsonderwijs”.

Onderwerp: uitnodiging tot het indienen van een voorstel ten behoeve van een experiment ten aanzien van ‘Wendbaarheid van het beroepsonderwijs’, zoals beschreven in de preambule van de cao mbo 2018-2020 

Geachte bestuurder, 

In de cao mbo 2018-2020 hebben we als sociale partners afgesproken om drie tot vijf mbo-instellingen de mogelijkheid te bieden te experimenteren ten behoeve van de bevordering van de wendbaarheid van de mbo-instelling en/of de werknemers. Hierbij roepen we u op om uiterlijk 1 mei aanstaande een voorstel voor een experiment wendbaarheid in te dienen. 

Achtergrond en doel experimenten wendbaarheid 

Omdat de omgeving waarin en waarvoor het mbo opleidt (snel) wijzigt, vraagt dat van het mbo en de medewerkers het vermogen om te kunnen inspelen op relevante interne en externe veranderingen. Om ‘wendbaar’ te kunnen zijn in de sector mbo is het van belang dat ook de organisatie (bedrijfsvoering) van een mbo-instelling hierop is ingericht. Onderwendbaarheid van een mbo-instellingwordt verstaan het vermogen van een instelling om in het onderwijsproces te anticiperen op interne en externe veranderingen. 

Onder wendbaarheid van werknemerswordt verstaan het aantoonbare vermogen om te kunnen inspelen op interne en externe veranderingen. De cao mbo biedt instellingen al ruimte om hun organisatie zo in te richten dat die aansluit bij de behoeften van studenten en het betrokken bedrijfsleven. Ruimte wordt echter niet altijd (volledig) benut en er kan ook behoefte zijn aan het creëren van nieuwe ruimte. 

Het experiment geeft een team, sector, locatie, gehele school/instelling of anderszins de mogelijkheid om ruimte te creëren in een ervaren of geconstateerde belemmering om zo als team of school wendbaarder te kunnen zijn. Het kan hierbij gaan om niet-benutte ruimte die nu wel benut gaat worden, onbekendheid met ruimte die nu wel bekend wordt, bestaande gewoonten en cultuuraspecten die men wenst aan te passen, dan wel nieuwe aspecten om de wendbaarheid te vergroten. 

Wat is nodig voor het aanvragen van een experiment wendbaarheid? 

Vóór 1 mei 2019 ontvangen wij graag een concreet voorstel voor een experiment. In dit voorstel dient ten minste te zijn opgenomen: 

a. een beschrijving van het voorstel waarin de gecreëerde ruimte wordt omschreven; 

b. het doel van het experiment en de reden waarom het experiment wordt geïnitieerd; 

c. een beschrijving van het personeel waarover het gaat (zoals het hele personeel instelling, een school, een specifiek team of een deel van een team); 

d. een onderbouwing van het draagvlak onder het personeel dat het aangaat; 

e. de looptijd van het experiment. 

Het voorstel kan worden gestuurd aan Evelijn Plantenberg (e.plantenberg@mboraad.nl). 

Draagvlak 

Door sociale partners in het mbo is afgesproken dat onder de medewerkers die vallen onder het experiment draagvlak en betrokkenheid dient te zijn voor het experiment. Ook zal het bestuur – voor zover van toepassing – de bepalingen t.a.v. de bevoegdheden van de ondernemingsraad (voortkomend uit de WOR of de cao mbo) in acht moeten nemen en indien nodig het voorstel ter advies of instemming moeten voorleggen aan de OR. Het bestuur is verantwoordelijk voor indiening van het voorstel. 

Looptijd en verantwoording 

Een experiment heeft een looptijd van maximaal één cursusjaar. De mbo-instelling stelt aan het einde van het experiment een schriftelijke evaluatie op van het experiment met eventuele adviezen voor de cao-tafel. Bij het opstellen van deze evaluatie met eventuele adviezen is draagvlak en betrokkenheid van het personeel wederom van groot belang. 

Stuurgroep en beoordeling 

Door sociale partners is een stuurgroep samengesteld ter begeleiding van de experimenten. Deze stuurgroep bestaat uit Nathan Soomer (MBO Raad) en Carl Govers (Onderwijsgroep Tilburg) namens de werkgeversdelegatie en Hélène Jansen (AOb) en Anja Bartholomeus (CNVO) namens de werknemersdelegatie. Evelijn Plantenberg is de secretaris van de stuurgroep. De stuurgroep toetst een voorstel onder andere op de toegevoegde waarde van het experiment met betrekking tot de wendbaarheid van de mbo-instelling en/of de werknemers en toetst tevens het draagvlak en de betrokkenheid onder het personeel voor het experiment. Bij deze beoordeling zal, indien mogelijk, tevens gekeken worden naar een goede verdeling naar inhoud van de experimenten, een goede verdeling over roc’s, aoc’s en vakscholen, een goede verdeling over grote(re) en kleine(re) instellingen en een goede geografische spreiding. 

Uiterlijk 1 juni 2019 geeft de stuurgroep de aanvragers uitsluitsel. 

NB. Het al dan niet toekennen van een experiment in het kader van de wendbaarheid is geen besluit door een bestuursorgaan in de zin van de AWB. De beslissing van de stuurgroep over het al dan niet toekennen van een experiment is bindend en staat niet open voor bezwaar bij cao-partijen. 

Mocht u nadere vragen hebben, dan kunt u contact opnemen met Evelijn Plantenberg (e.plantenberg@mboraad.nl of 0348 - 75 35 89). 

Wij zien uit naar uw voorstel. 

Met vriendelijke groet, 

Namens cao-partijen, 

Stuurgroep wendbaarheid

Meer nieuws