De UNIENFTO is een onafhankelijke vakorganisatie die opkomt voor de rechtspositionele
en onderwijskundige belangen van haar leden.

Welkom bij de UNIENFTO !

De UNIENFTO is een onafhankelijke vakorganisatie die opkomt voor de rechtspositionele en onderwijskundige belangen van haar leden. Die leden zijn voor het overgrote deel werkzaam in de beroepskolom en het voortgezet onderwijs. Bovendien heeft de UNIENFTO leden die werkzaam zijn bij de kenniscentra beroepsonderwijs-bedrijfsleven.

De UNIENFTO heeft zowel leden onder het onderwijzend personeel als onder het onderwijsondersteunend personeel. De UNIENFTO is lid van de CMHF (Centrale voor Middelbare en Hogere Functionarissen bij Overheid, Onderwijs, Bedrijven en Instellingen) en via die CMHF van de vakcentrale VCP. De onderwijsbonden binnen de CMHF, dus ook de UNIENFTO, hebben zich gebundeld in de FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties). 

Neem nu contact op  Meld u direct aan

Laatste nieuws

Op donderdag 23 maart is het concept principeakkoord door de vakorganisaties en de werkgeversorganisatie Vereniging Hogescholen omgezet in een principeakkoord.

Dat betekent dat de eerder aangekondigde ledenraadpleging van de UNIENFTO definitief doorgaat en zoals aangegeven plaatsvindt op 29 maart a.s., aanvangstijd 15:00 uur, locatie bureau UNIENFTO, Boschweg 6 te Culemborg.

De vakorganisaties en de werkgeversorganisatie Vereniging Hogescholen zijn in een concept principeakkoord overeengekomen de cao-hbo met een jaar te verlengen. Daarbij zijn afspraken gemaakt over looptijd en salarisontwikkeling, sociale zekerheid en bovenwettelijke werkloosheidsregeling (BWRHBO) en een aantal technische wijzigingen in de cao-hbo.

Looptijd en salarisontwikkeling

De cao-hbo wordt verlengd tot 1 april 2018. Er wordt een eenmalige uitkering toegekend van

€ 500 bruto (naar rato betrekkingsomvang) in november 2017.

Sociale zekerheid en BWRHBO

In de preambule van de cao-hbo 2016-2017 is opgenomen dat de afspraken die in april 2013 in het sociaal akkoord werden vastgelegd uitgevoerd zullen worden. Daarnaast is in de preambule opgenomen dat de BWR herzien zal worden. De herziene BWRHBO zou ingevoerd worden op 1 januari 2017, maar het zal duidelijk zijn dat die termijn niet gehaald is. In het concept principeakkoord is opgenomen dat de herziene BWRHBO ingaat op 1 april 2017.

Reparatie WW-recht

De versobering van het WW-recht, zoals opgenomen in de Wet Werk en Zekerheid (WWZ), wordt zoals afgesproken in het Sociaal Akkoord in opbouw en duur hersteld. Er wordt dus sneller opgebouwd dan in de wettelijke regeling en de WW loopt langer door dan in de wettelijke regeling het geval is. Dat houdt een reparatie van het oude WW-recht in, tot maximaal 38 maanden. De werknemer in het HBO bouwt steeds een maand WW-recht op per gewerkt jaar.

Aanvullende uitkering

De eerste zes maanden heeft de werknemer recht op een aanvulling op zijn WW-uitkering tot maximaal 75% van het laatstverdiende loon. De daarop volgende 18 maanden geldt een aanvulling tot 70% van het laatstverdiende loon. Als de werknemer recht heeft op een langere uitkering dan 24 maanden, dan blijft de aanvulling gedurende dat recht tot 70% van het laatstverdiende loon bedragen, maar dan wel gemaximeerd op het maximum van schaal 12 van de cao-hbo.

Aansluitende uitkering

Na afloop van de WW-uitkering (inclusief herstel 3e WW-jaar) heeft de werknemer recht op een aansluitende uitkering, mits men vijf jaar in het onderwijs heeft gewerkt. Opbouw van dit recht bedraagt een maand per gewerkt jaar in het onderwijs, met een maximum van 34 maanden. De uitkering bedraagt 70% van het laatstverdiende loon, gemaximeerd op het maximum van schaal 12 van de cao-hbo.

Extra aansluitende uitkering

Indien men ontslagen wordt in de periode van 10 jaar voor de AOW-gerechtigde leeftijd en men minstens vijftien dienstjaren in het onderwijs heeft, ontstaat na afloop van de aansluitende uitkering een recht op een extra aansluitende uitkering tot de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt is. De hoogte van de uitkering bedraagt 70% van het laatstverdiende loon, gemaximeerd op 72% van het maximum van schaal 10 van de cao-hbo. Daarmee wordt voorkomen dat de werknemer kort voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd in de bijstand belandt.

Loonsuppletie

Als het recht op een (extra) aansluitende uitkering is geëindigd in verband met het aanvaarden van een nieuwe functie en in die functie ontvangt men een lager salaris, dan ontstaat recht op loonsuppletie (verschil laatstverdiende loon / nieuwe salaris) gedurende de periode dat men recht had op een (extra) aansluitende uitkering. De loonsuppletie duurt uiterlijk tot het einde van de duur van de (extra) aansluitende uitkering, zoals die is vastgesteld op de eerste werkloosheidsdag. In het geval dat de extra aansluitende uitkering wordt beëindigd is de hoogte van de loonsuppletie gelijk aan het verschil tussen enerzijds het salaris in de nieuwe functie en anderzijds het laatstverdiende loon, maar niet meer dan 70% van het maximum van schaal 12.

Positief advies

De UNIENFTO legt dit akkoord met een positief advies aan u voor. De regeling is vergelijkbaar met de regelingen die de afgelopen tijd in het PO, VO en MBO zijn overeengekomen, met dien verstande dat de maximale uitkeringen in de hbo-regeling hoger zijn.

Procedure en ledenraadpleging

Het concept principeakkoord wordt naar verwachting in de middag van 23 maart a.s. omgezet in een principeakkoord, dat dan nog door de leden van de vakbonden en de Vereniging Hogescholen geaccordeerd moet worden. We komen met dit concept principeakkoord naar buiten, omdat wachten tot 23 maart in verband met het organiseren van de ledenraadpleging te kort dag is. De cao-hbo verloopt op 1 april 2017, het is dus de bedoeling dat voor de datum van 1 april vastgesteld wordt dat alle onderhandelingspartijen met het principeakkoord kunnen instemmen.

De UNIENFTO houdt een ledenraadpleging op woensdag 29 maart a.s., aanvangstijd 15:00 uur, locatie bureau UNIENFTO, Boschweg 6 te Culemborg.

De verwachting is dat het concept principeakkoord wordt omgezet in een principeakkoord. Zodra daar duidelijkheid over is, wordt dat op de website van de UNIENFTO gemeld. Als u wenst deel te nemen aan de ledenraadpleging, check dan regelmatig de nieuwsberichten op de website van de UNIENFTO.

De integrale tekst van het concept principeakkoord treft u HIER aan.

Op 16 maart jl. zijn de MBO Raad, het Platform Medezeggenschap mbo en de JOB (Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs) tot een akkoord gekomen over een handreiking omtrent het instemmingsrecht van de gezamenlijke vergadering van de ondernemingsraad en de studentenraad (en in voorkomende gevallen de ouderraad) op hoofdlijnen van de jaarlijkse begroting. 

Deze handreiking, waarin wordt aangegeven wat onder “hoofdlijnen van de begroting” moet worden verstaan en een advies wordt gegeven omtrent het inbedden van het instemmingsrecht in de begrotingscyclus op de instellingen, tref je bijgaand aan. De drie partijen geven hiermee een positief signaal af richting wetgever en minister dat men als sector invulling geeft aan het principe van zelfregulering en dat nadere regelgeving op dit moment onnodig is. Het toont aan dat bestuur en medezeggenschap willen investeren in het voeren van de constructieve dialoog op de mbo-instellingen in het belang van goed middelbaar beroepsonderwijs. De bonden hadden dit graag geregeld gezien in een Algemene Maatregel van Bestuur door de minister, omdat dat een betere juridische basis vormt.

Voor de tekst van de handreiking, klik HIER!

Geruststellend en opvallend is dat bijna alle partijen zich wel uitspreken voor verbeteringen in het onderwijs en het woord bezuinigen alleen bij VNL en de Vrijzinnige Partij te vinden zijn, aldus de doorrekening van het CPB. D66 (3,8 mld euro) en GroenLinks (2,8 mld euro) verhogen deze uitgaven het meest. VNL geeft 4,1 mld euro minder uit aan onderwijs. Natuurlijk ligt de focus bij ons op de arbeidsvoorwaarden en daarom zoomen we daar nu op in bij een aantal partijen. Let op: niet alle 28 partijen die op 15 maart aan de Tweede Kamerverkiezingen meedoen, worden genoemd. De kleinste (splinter)partijen zijn overgeslagen en de volgorde is willekeurig.

De PvdA wil dat het onderwijzend personeel goed wordt beloond. Prestatiebeloningen passen niet bij de publieke onderwijstaak, meent de PvdA en er moet ruimte komen in de cao’s om aan meer docenten doorgroeimogelijkheden te geven naar een hogere schaal. De lestaak van fulltime leerkrachten en docenten in het primair en voortgezet onderwijs wil de PvdA stapsgewijs terugbrengen naar maximaal 20 uur. Onderwijsgevenden worden gevraagd zich blijvend te scholen om zo hun expertise op peil te houden en aan de voorwaarden voor opname in het lerarenregister te blijven voldoen. Het vak van leraar/docent wil de PvdA aantrekkelijker maken voor universitair geschoolden door universitaire promotie (PhD) mogelijk te maken en het vak te combineren met een andere baan. Om meer studenten op te leiden tot leraar, wordt de lerarenopleiding als tweede studie door de overheid betaald.[1]

Het CDA meldt te kiezen voor betere lerarenopleiding met aparte specialisaties voor jonge en oudere kinderen in het basisonderwijs en een eigen lerarenopleiding voor het beroepsonderwijs. Lerarenopleidingen mogen zelf selecteren aan de poort. Er moeten meer academisch opgeleide leraren in het basisonderwijs komen en het aantal onder- en onbevoegde docenten in het voortgezet onderwijs moet teruggedrongen worden. Het lesgeven moet centraal blijven staan, leraren moeten de tijd krijgen om zich permanent te ontwikkelen en de administratieve verplichtingen voor leraren moeten worden voorkomen.[2]

De VVD wil alleen de beste docenten voor de klas laten staan en die betere docenten verdienen een betere beloning en meer waardering. Docenten moeten bovendien de mogelijkheid krijgen om zich te specialiseren. Door onderscheid in carrièrepaden mogelijk te maken, wordt het leraarschap uitdagender en de VVD denkt daarbij aan de inzet van meer vakleerkrachten op basisscholen, die bijvoorbeeld techniek, ICT en Engels en bewegingsonderwijs onderwijzen. In het voortgezet onderwijs dienen alle docenten bij voorkeur een master gevolgd te hebben. In het middelbaar beroepsonderwijs hebben alle docenten bij voorkeur een bachelor of erkende opleiding op vergelijkbaar niveau afgerond. Scholen krijgen verder een stem in het bepalen van het programma van de lerarenopleiding. Dit betekent ook dat scholen mee kunnen bepalen of een docent in opleiding zijn diploma heeft verdiend. Door vernieuwing van de lerarenopleiding wil de VVD ook meer ruimte en flexibiliteit geven aan zij-instromers. Het wordt dan aantrekkelijker om na of naast een carrière in het bedrijfsleven voor de klas te gaan staan. De VVD wil bevorderen dat werkgevers en werknemers beloningsafspraken maken waarbij ook scholing en ontwikkeling relevant wordt. Docenten moeten zich gedurende hun gehele loopbaan blijven bijscholen. Dit wordt door docenten uit het basisonderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs zelf bijgehouden in het lerarenregister.[3]

D66 wil investeren in docenten, door minder regels en minder lesuren, door middel van een 20-lesurennorm. Men wil deze norm in de komende 4 jaar in de wet en de begroting verankeren. Leraren moeten zich meer en vaker bijscholen en houden onderlinge gesprekken over de kwaliteit van lesgeven en bijdragen aan de ontwikkeling van leerlingen. De pabo’s en lerarenopleidingen moeten ook een rol gaan spelen bij de ontwikkeling van leerkrachten die al voor de klas staan, meent D66. Praktijkervaring, begeleiding door ervaren leraren en aanvullende scholing maken een leraar van startbekwaam vakbekwaam. De kwaliteit van de lerarenopleidingen moet worden verbeterd door aan pabo’s en tweedegraadslerarenopleidingen scherpere toelatingseisen te laten stellen op het gebied van motivatie en kennisniveau.[4]

Groen Links, wil investeren in leerkrachten zowel in het basisonderwijs als in het voortgezet onderwijs. Er komen meer leerkrachten en vooral voor beginnende leerkrachten wordt de werkdruk verlaagd. Klassen worden verkleind tot maximaal 29 leerlingen gemiddeld, op school- of locatieniveau. Binnen zes jaar wordt dit aantal verlaagd naar 23 leerlingen. Docenten krijgen betere opleidingen, meer begeleiding en bijscholing. Verder komt er een verhoging van salarissen en verbetering van carrièremogelijkheden voor leerkrachten in het basisonderwijs. Daarnaast wil Groen Links dat leraren in het vmbo net zoveel gaan verdienen als hun collega’s op de havo of het vwo. De opleidingseisen voor leerkrachten op het vmbo gaan omhoog en zij krijgen een betere beloning voor hun werk. Leraren in het vmbo en op de basisschool moeten makkelijker kunnen doorstromen naar hogere salarisschalen.[5]

De SP zet in op het kleiner maken van klassen in het basisonderwijs door per direct een einde te maken aan klassen van 30 of meer leerlingen en op termijn toe te werken naar een gemiddelde klassengrootte van 23 leerlingen. De salarissen van onderwijspersoneel moeten door middel van een landelijke cao ook landelijk uitbetaald worden. Verder moeten onbevoegde leraren binnen twee jaar hun bevoegdheid halen en dienen docenten in de bovenbouw van havo en vwo zoveel mogelijk universitair geschoold te zijn. Wie dat niet is moet de mogelijkheid krijgen zich binnen enkele jaren alsnog universitair te scholen. De werkdruk van leraren wordt verder door de SP gereduceerd door het schrappen van administratieve rompslomp, waardoor er ook meer tijd is om les te geven. Op de pabo’s moet het niveau van taal- en rekenen van studenten worden verhoogd door middel van een ‘intaketoets’, een bijspijkerprogramma en een eindtoets na het eerste jaar. De tweedegraads lerarenopleidingen moeten meer aandacht besteden aan de vakinhoud. [6]

De PVV tenslotte, geeft weinig prijs via het verkiezingsprogramma, maar meldt via de website meer carrièreperspectief voor leraren te willen realiseren door geld dat vrijvalt uit de bestrijding van de onderwijsbureaucratie opnieuw in te zetten in de sector. Ook pleit de partij voor het doorbreken van het gelijkheidsprincipe in het beloningssysteem van leraren. Er moeten toeslagen komen voor leraren die gaan werken op scholen met specifieke tekorten, zoals in de Randstad (achterstandsscholen), in het speciaal onderwijs en binnen het “(nu nog bestaande) vmbo’. Volgens de PVV zijn er nu te veel parttimers in het onderwijs en daarom moet er een voltijdbonus ingevoerd worden. De individuele loonsverhogingen kunnen aan de scholen zelf worden overgelaten. De stijging van een periodiek of meerdere periodieken wordt afhankelijk van de geleverde kwaliteit van de leerkrachten. Ook voor vakken waar een ernstig tekort aan docenten voor bestaat, moet de mogelijkheid van een tijdelijke bonus worden ingevoerd. Verder stelt de PVV voor om onderscheid in te voeren in beloning voor leerkrachten in de onderbouw resp. bovenbouw in het basisonderwijs, omdat bovenbouwdocenten  meer uren maken, over meer kennis moeten beschikken en het handhaven van de orde meer energie vergt. Ten aanzien van de opleidingen meldt de PVV dat er toelatingstesten voor de pabo verplicht gesteld moeten worden, met een uitslag op twee niveaus. Ook moet er een toelatingstest voor de lerarenopleidingen voor voortgezet onderwijs worden ingevoerd. De PVV wil verder de lestijden in het primair onderwijs verruimen met twee uur langer les per dag (lesdag van 8 uur tot 16.00 uur - vrije woensdagmiddag blijft gehandhaafd). De leerkrachten moeten hun - vaak onnodige -   naschoolse vergadertijd inruilen voor meer aandacht voor en investeren in de kinderen.[7]

Pensioen is een belangrijke arbeidsvoorwaarde, waar u gemiddeld 1 dag in de week voor werkt. Wat zijn de plannen van de politiek op dit punt met het oog op de verkiezingen? En welke gevolgen heeft dat voor uw portemonnee?

De partijen variëren in hun plannen maar er komt in veel teksten het woord aftoppen voor. Hiermee wordt bedoeld dat er boven een bepaald bedrag niet meer fiscaal vrij opgebouwd mag worden. Onder die grens hoeft over de premie inleg geen belasting te worden betaald, daarboven wel. Er wordt nu al afgetopt als je meer verdient dan €103.317 euro. Diverse partijen stellen nu voor dat bedrag omlaag te brengen. Het beperken van de premieaftrek levert de schatkist namelijk op korte termijn geld op, omdat er meer belasting binnenkomt. Saillant detail is dat men bij het berekenen altijd uitgaat van een fulltime salaris; ook als je parttime werkt. Wanneer de aftoppingsgrens bijvoorbeeld € 74.000,- zal bedragen, dan zal een deeltijder met een dienstverband van 0,6 fte en een salaris van  €45.000,-  evenredig aan de aftoppingsgrens slechts tot een salaris van €36.500,- fiscaal vrij pensioen mogen opbouwen. In het extreme geval geldt ook dat een deeltijder met een dienstverband van 0,2 fte, maar met een salaris van € 15.000,-, slechts over € 12.200,- pensioen fiscaal vrij zou mogen opbouwen. Deze plannen raken dus zeker niet alleen de zogenaamde hoge inkomens, maar raken onder meer de sector onderwijs waarin veel deeltijders werkzaam zijn!

Laten we eens kijken hoe de verschillende partijen over ons salaris denken.

GroenLinks en ook de PvdA willen dat werknemers straks over hun salaris boven twee keer modaal de pensioenpremies niet langer kunnen aftrekken. Dat komt in 2017 neer op een aftopping van €74.000 op jaarbasis. ChristenUnie en SGP leggen de grens nog iets lager, op anderhalf keer modaal (€55.500). De SP wil een aftopping op het belastingtarief voor premieaftrek introduceren van 40,4%. D66 wil de grens voor verplichte pensioenopbouw volgens de CPB-stukken zelfs verlagen naar het maximumdagloon (€ 53.705)!

Werknemers kunnen bij de PvdA en bij D66 overigens nog wel vrijwillig fiscaal gefaciliteerd sparen tot de huidige aftoppingsgrens van €100.000. Maar de huidige regelingen maken die optie zeer onaantrekkelijk.

Wat betekent dit voor uw portemonnee?

   

2017

 Aftoppingen 2018

1

Pensioengevend inkomen

103.317

74.000

55.500

2

Premiebijdrage werkgever 70%

13.318

8.988

6.255

3

Premiebijdrage werknemer 30%

5.708

3.852

2.681

4

Pensioenopbouw OP €

1.691

1.141

794

5

Pensioenopbouw PP €

1.183

799

556

 

 

 

 

 

 

Stel, in 2017 verdient u € 103.317,-. Bij dat inkomen hoort in 2017 een opbouw ouderdomspensioen (OP) van € 1.691,-. Vervolgens wordt in 2018 de aftoppingsgrens op € 74.000,- gezet. Volgens de rekenwijze die nu in 2017 geldt, komt dan de opbouw van uw ouderdomspensioen uit op € 1.141,- een pensioenschade van € 550,- in één jaar. Uw partnerpensioen (PP) wordt ook geraakt omdat de opbouw partnerpensioen 70% van uw ouderdomspensioen bedraagt. De PP schade bedraagt € 385,-.

Voor het ouderdomspensioen geldt dat die 550 euro het bedrag is dat u jaarlijks vanaf uw pensioendatum van ABP zou krijgen zo lang u leeft. Na 10 jaar verlaagde aftoppingsgrens is de pensioenschade al opgelopen tot € 5.500,- minder pensioen per jaar levenslang vanaf pensioendatum.

Voor het partnerpensioen dat tot uitkering komt bij uw overlijden vóór uw pensioendatum geldt dat er een overval wordt gepleegd door de verlaagde aftopping. Het PP wordt namelijk berekend op basis van verleden én toekomstige dienstjaren tot aan pensioendatum. In het rekenvoorbeeld is de PP-schade € 385,- per jaar. Stel dat u vroeg overlijdt, bij voorbeeld als u pas 33 jaar bent. Bij uw overlijden op deze jonge leeftijd wordt het PP mede berekend over de toekomstige deelnemersjaren tot uw pensioendatum van nu 67 jaar. Dat zijn dan 34 jaren keer € 385,- = € 13.090,- per jaar PP minder voor uw partner, en wel levenslang!

Arbeidsvoorwaardenschade in geld

In het rekenvoorbeeld is de totale pensioenpremie € 19.025,-. Van die premie betaalt uw werkgever 70%, ofwel € 13.318,-. Bij verlaging van de aftoppingsgrens daalt de totaalpremie tot € 12.839,- en de bijdrage werkgever 70% daalt naar € 8.988,-. Uw arbeidsvoorwaardenpakket daalt in één jaar met € 4.330,- in waarde.

De 30% van de premie die u zelf betaalt komt via een verlaagde inkomensbelastings-afdracht bij u terug in de portemonnee. Echter, de verlaging van de werkgeverbijdrage van € 4.330,- vloeit in eerste instantie terug in de kas van de werkgever. En probeer het daar maar weer uit te krijgen, dit is immers arbeidsvoorwaardengeld! Bij de aftopping op een ton hebben we onze les geleerd. In vele sectoren is het werkgeverdeel van de premie boven een ton nooit terug gekeerd naar de deelnemers met een inkomen boven een ton, maar keerde dat terug  in de totale pot van arbeidsvoorwaardengeld. In sommige sectoren heeft de werkgever het overigens wel terug gegeven aan de betreffende groep werknemers, bij weer andere is dat deels gebeurd.

Onderwijs

Wanneer we het hebben over aftoppen op twee keer modaal, dan heb je het over de schalen 12 en hoger, ook als je bijvoorbeeld maar 0,6 fte werkt. Als men de plannen gaat uitvoeren zal dat vele werknemers in het onderwijs gaan treffen in de portemonnee.

Zie hier de gevolgen voor collega Freek, werkzaam in schaal 12[8] (fulltime €75.150). We toppen af op €74.000 euro (plannen Groen Links en PvdA) en op €53.705 euro, zoals D66 voorstelt. De pensioenschade is groot: de opbouw van het ouderdomspensioen zakt met €403 euro bij uitvoering van de plannen van D66 en er vloeit voor de werkgever €3.167 euro terug in de arbeidsvoorwaardenmiddelen!

Voor onze collega Marianne in schaal 12, die haar baan combineert met zorgtaken en daarom 0,6fte werkt, moeten we ook aftoppen, ondanks dat zij met het salaris van 3 dagen werken helemaal niet over de aftoppingsgrens heen gaat! Haar opbouw zakt met €241 euro wat procentueel neerkomt op een vermindering van 34,6%.

Maar zoals gezegd, hoe lager de grens hoe meer collega’s geraakt zullen worden. Met de plannen van D66 worden ook de collega’s in schaal 11 en schaal 10 geraakt. Weer twee voorbeelden, waarbij Simon fulltime werkt (€ 56.800) en collega Els wederom ervoor gekozen heeft parttime te werken. Omdat het salaris van Els lager is dan € 39.056 euro, bouwt zij via een andere systematiek op . Ook hier wordt er minder opgebouwd, Simon bouwt €58 euro minder op en Els €32 euro, hetgeen toch respectievelijk 7,1% en  6,7% minder is. Ook hier vallen er weer middelen vrij die in de kas van werkgever terecht komen: respectievelijk 457 euro en 274 euro.

Deze plannen raken dus zeker niet alleen de zogenaamde hoge inkomens, maar raakt de sector onderwijs ook extra hard, mede vanwege de hoge aantallen parttimers die ook minder pensioen mogen opbouwen terwijl de hoogte van het salaris (ver) onder de aftoppingsgrens zit.

 

   

Freek

   
   

schaal 12 (2017)

Aftoppen 74.000

Aftoppen 53.705

1

Pensioengevend inkomen

€ 75.150

€ 74.000

€ 53.705

2

Premiebijdrage werkgever 70%

€ 9.157

€ 8.988

€ 5.990

3

Premiebijdrage werknemer 30%

€ 3.925

€ 3.852

€ 2.567

4

Pensioenopbouw OP €

€ 1.163

€ 1.141

€ 760

5

Pensioenopbouw PP €

€ 814

€ 799

€ 532

 

   

Marianne

   
   

Schaal 12 0,6fte (2017)

Aftoppen 74.000

Aftoppen 53.705

1

Pensioengevend inkomen

€ 45.090

€ 74.000

€ 53.705

2

Premiebijdrage werkgever 70%

€ 5.494

€ 5.393

€ 3.594

3

Premiebijdrage werknemer 30%

€ 2.355

€ 2.311

€ 1.540

4

Pensioenopbouw OP €

€ 698

€ 685

€ 456

5

Pensioenopbouw PP €

€ 488

€ 479

€ 319

 

   

Simon

 
   

Schaal 10

(2017)

aftoppen 53.705

1

Pensioengevend inkomen

€ 56.800

€ 53.705

2

Premiebijdrage werkgever 70%

€ 6.447

€ 5.990

3

Premiebijdrage werknemer 30%

€ 2.763

€ 2.567

4

Pensioenopbouw OP €

€ 818

€ 760

5

Pensioenopbouw PP €

€ 573

€ 532

 

   

Els

 
   

Schaal 10

0,6fte (2017)

aftoppen 53.705

1

Pensioengevend inkomen

€ 34.080

€ 53.705

2

Premiebijdrage werkgever 70%

€ 4.103

€ 3.829

3

Premiebijdrage werknemer 30%

€ 1.758

€ 1.641

4

Pensioenopbouw OP €

€ 473

€ 441

5

Pensioenopbouw PP €

€ 331

€ 309

 



 

In 2015 is de Stichting ‘Ieder mbo een practoraat’ opgericht. Doel van de stichting is om de oprichting en inrichting van practoraten in het mbo te stimuleren en te ondersteunen. Practoraten willen een scharnierfunctie vervullen tussen de innovatie van de beroepspraktijk waarvoor het mbo opleidt en vernieuwing van het onderwijs. Dichtbij huis en dichtbij de regio: onderzoekend en samen lerend. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn daarin essentiële componenten.



In deze documentaire wordt met tal van kopstukken uit onderwijs en bedrijfsleven de term practoraat omschreven en gewaardeerd. Aan het woord komen John van der Vegt (CvB ROC van Twente), Karoline Wiegerink (Practor Hospitality Experience), Rob Schuur (CvB Noorderpoort), Bas Derks (Ministerie OCW), Jorick Scheerens (Practor Sociale Media/Stichting 'Ieder mbo een practoraat'), Hans Schutte (Directeur-generaal OCW), Jet Bussemaker (Minister van Onderwijs), Frans Leijnse (introduceerde lectoraten in het HBO), Michaël van Straalen (Voorzitter MKB-Nederland), Han Smits (CvB Mediacollege Amsterdam), Marc van der Meer (Wetenschappelijk adviseur voor de MBO-sector), Marieke Gervers (Practor Creatief Vakmanschap), Ton Heerts (Voorzitter MBO Raad), Doekle Terpstra (aanjager Techniekpact/Zorgpact) en Marjolein Held (Voorzitter BVMBO)



 

Meer nieuws