Overig nieuws

 

Bonden terug naar de leden

Overleg over nieuwe CAO BVE opgeschort

De bonden gaan hun leden raadplegen over de nieuwe CAO BVE. Hoe kan de gewenste verbetering van arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden via de cao worden bereikt?
De CAO BVE is sinds 31 maart 2011 afgelopen. Dat is weer bijna een jaar geleden!

Sindsdien zijn de bonden en de MBO Raad in gesprek over een nieuwe, gemoderniseerde tekst. Daarbij ging het met name over:


• het 'vertalen' van verouderde ambtelijke regels in begrijpelijker cao-teksten; 


• het herschrijven van artikelen die achterhaald zijn door nieuwe wetgeving en regelingen;


• het herschrijven van teksten die voor meerdere uitleg vatbaar zijn.



Het lukte echter niet dit proces in het najaar van 2011 in een formeel cao-overleg af te ronden. Vanaf de start van het cao-overleg hebben de bonden aangegeven dat zij na een nullijn in 2010 en 2011, niet weer akkoord konden gaan met een (4e!) verlenging zonder financiële tegemoetkoming. Dat zou de geloofwaardigheid van partijen schaden. Een nieuwe, volwaardige cao wordt door ons ook van belang geacht om in een onzekere economische situatie en in afwachting van de door de minister aangekondigde ingrepen, rust in de instellingen te krijgen.



Werkgevers gaven niet thuis

Toen in december 2011 - na enkele overlegrondes - een salarisverhoging ter sprake kwam, gaven de werkgevers niet thuis. De MBO Raad stelt geen cent beschikbaar, tenzij de 'productiviteit' flink omhoog gaat. Er moet, met andere woorden, eerst worden ingeleverd op een aantal cao-regelingen, voordat er ook maar de kleinste salarisverhoging komt.

Werkgevers geven hiermee in onze ogen een verkeerd signaal af aan hun werknemers, die onder steeds moeilijkere omstandigheden het onderwijs draaiend houden. Sterker nog: de werkgevers willen een cao, die een nog grotere inzet van werknemers mogelijk maakt. Daar waar gewerkt moet worden aan herstel van vertrouwen van de werkvloer in de eigen organisatie, wordt die relatie verder onder druk gezet. In plaats van meer tijd voor verdere professionalisering en verhoging van de onderwijskwaliteit, worden werknemers geconfronteerd met voorstellen die de werkdruk verder verhogen. Onze mening is dat het daarmee ontbreekt aan waardering voor de werknemers. 



De werkvloer op


De bonden hebben de afgelopen jaren meegewerkt aan het bieden van ruimte aan de werkverdeling in onderwijsteams, de invoering van het professioneel statuut en aan verdere scholing en professionalisering. Ondanks het feit dat er op veel plaatsen een stevige discussie is over de uitvoering, nemen de bonden nog steeds verantwoordelijkheid voor de gemaakte afspraken. Nu een vertrouwenwekkend signaal vanuit de werkgevers is uitgebleven, gaan wij terug naar de instellingen. Vanaf de werkvloer willen wij horen waar de cao-prioriteiten moeten liggen en waartoe men bereid is om werkgevers tot een ander standpunt te bewegen.
 


Met grote regelmaat bereiken ons signalen dat het op de werkvloer blijft ontbreken aan een fatsoenlijke dialoog over de werkverdeling en de uitvoering van het onderwijs. Dit doet geen recht aan de intentie van cao-afspraken. Die zijn erop gericht om teams in goed overleg te laten besluiten over inhoud en verdeling van het werk. Te vaak horen wij geluiden over het eenzijdig opleggen door leidinggevenden. 



"Harder werken met minder mensen"?

Keuzes binnen de instellingen leiden tot inzet van een steeds kleiner aandeel docenten. Tijd voor ontwikkeling en professionalisering gaat op aan het moeten verzorgen van onderwijstijd. De voornemens van het kabinet om de onderwijstijd te verhogen en opleidingen in te korten, worden op dit moment door leidinggevenden in de instellingen vertaald in de aankondiging "harder werken met minder mensen". De roep om nadere afspraken over tijd en inzet in de cao wordt daarom luider.
De ervaren werkdruk stijgt aanzienlijk, het vertrouwen daalt.

Werknemers zeggen de zeggenschap over de inzet en het onderwijs kwijt te zijn. Eerder in de instelling gehanteerde uitgangspunten voor werkverdeling werden gewijzigd, zonder dat er iets in de aard van het werk wijzigde. Innovatie, onderwijsontwikkeling en professionalisering krijgen onvoldoende ruimte.  



Wat wilt ú?


De komende weken, in de maand maart, gaan de bonden de instellingen in om het personeel te raadplegen over hoe de gewenste verbetering van arbeidsomstandigheden en arbeidsvoorwaarden via de cao kan worden bereikt. Na de actie van 6 maart a.s. tegen de bezuinigingen op de zorgleerlingen, zullen wij via onze websites en eventuele nieuwsbrieven nadere informatie geven over plaatsen en tijdstippen.

 

De FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties),  waar de UNIENFTO bij is aangesloten, roept op tot staking op 6 maart! Schrijf nu in!

Voor behoud van onderwijskwaliteit van alle kinderen, tegen bezuinigingen en ontslagen Passend Onderwijs!

Bij deze roepen de bij de FvOv aangesloten verenigingen al hun leden in het PO, VO en MBO op om op 6 maart te staken en om op die dag af te reizen naar de ArenA in Amsterdam. Dit doen we samen met alle onderwijsbonden in Nederland, te weten AOb, AbvaKabo FNV, AVS en CNV Onderwijs. We willen een massaal protest tegen de korting van 300 miljoen euro op Passend Onderwijs laten horen!

Vanaf nu  is het mogelijk om hier in te tekenen op bussen vanaf vaste opstapplaatsen maar ook om een bus te boeken voor je hele school (voor minimaal 20 mensen).  Wanneer je als lid van de UNIENFTO met de bus wilt meereizen moet je daarvoor het machtigingsformulier downloaden. Dit formulier kun je ingevuld inleveren in de bus. Vervolgens zal in april een bedrag van  € 15,- van je rekening worden afgeschreven (de AOb zal als penvoerder van de acties dit bedrag voor alle bonden in april innen).

De UNIENFTO vergoedt deze gemaakte kosten,  een scan van een bankafschrift kunt u  opsturen naar finan@unienfto.nl . Wanneer je de overige privacygevoelige gegevens  weglakt (maar niet naw en je rekeningnummer) wordt dit bedrag aan u overgemaakt.

Daarnaast is het ook mogelijk om met het OV te reizen naar de Arena. Reiskosten worden vergoed op basis van maximaal reizen openbaar vervoer 2e klas. Om voor een vergoeding in aanmerking te komen kunt u (een scan van) het trein- of buskaartje of een uitdraai van de ov-chipkaart sturen naar of finan@unienfto.nl  dan wel UNIENFTO, postbus 295, 4100 AG Culemborg.

De UNIENFTO vergoedt niet het gederfde salaris wanneer de werkgever er toe overgaat om dat in te houden voor de stakingsdag (dat zal lang niet in alle gevallen zo zijn). Wij hebben geen stakingskas, dat zou leiden tot een hogere contributie en daar hebben we als vereniging niet voor gekozen.

Waarom gaan we staken?

De bezuiniging op Passend Onderwijs van 300 miljoen betreft niet alleen het Speciaal Onderwijs! De effecten zijn daar wel het meest voelbaar. De klassen worden groter, de ambulante begeleiding gehalveerd en duizenden mensen raken hun baan kwijt. Met minder mensen moet er meer gebeuren.

Ook het reguliere onderwijs zal direct te maken krijgen met de gevolgen van de bezuiniging. Meer zorgleerlingen moeten worden opgevangen in het reguliere basis- en voortgezet onderwijs, zonder ondersteuning vanuit het speciaal onderwijs. Dat betekent voor iedereen een verhoging van de werkdruk en leidt zeker niet tot een verhoging van de kwaliteit van het onderwijs aan de kinderen in de heterogenere klassen. In het mbo  zal het leiden tot een toestroom van zorgleerlingen vanuit vso, lwoo en praktijkonderwijs, terwijl daar een mager budget tegenover staat.

 

Kom  je op 6 maart? Laat het ons weten!

Je kunt je nu als staker aan melden op info@unienfto.nl  ! 

 

Leraren gaan voor kwaliteit in het onderwijs
Vandaag is registerleraar.nl geopend. Dit is een register waarin alle leraren in Nederland uit het primair, voortgezet en het middelbaar beroepsonderwijs zich vanaf vandaag kunnen inschrijven. Inschrijving gebeurt op vrijwillige basis via www.registerleraar.nl. Dit register is een initiatief van de Onderwijscoöperatie, die hiermee een krachtige impuls geeft voor een sterke lerarenberoepsgroep en waarborging van de kwaliteit van het onderwijs in Nederland.  Op onze site hebben wij aan de linkerzijde een speciale button "Registerleraar.nl" gemaakt. Door hier op te klikken krijgt u alle informatie doe nodig is.
 
Nederland is een kenniseconomie. Om onze positie in de wereld ook in de toekomst te behouden is goed onderwijs cruciaal. Goed onderwijs valt of staat met goede leraren voor de klas. Een leraar in Nederland moet bevoegd zijn om les te geven. Maar na het behalen van het diploma moeten leraren zich blijven ontwikkelen. Dat noemen we bekwaamheidsonderhoud. Alleen bevoegde leraren mogen zich inschrijven in het register. Registerleraar.nl helpt de leraar vervolgens om op een makkelijke en uitnodigende manier te blijven werken aan de professionele ontwikkeling. Registerleraar.nl is openbaar: alle burgers van Nederland kunnen zien of een leraar zich wel of niet geregistreerd heeft. Bij andere beroepsgroepen zoals artsen, verpleegkundigen en advocaten blijkt een register kwaliteitsbevorderend en statusverhogend te werken.
Registerleraar.nl is een register van, voor en door leraren. De basis van het register is klaar: leraren kunnen zich inschrijven en hun activiteiten op het gebied van hun professionele ontwikkeling vastleggen. Dit zijn bijvoorbeeld cursussen, opleidingen, studiedagen, conferenties en reflectieve activiteiten zoals coaching of intervisie. De leraren die zich inschrijven brengen daarmee hun ervaringen in en werken mee aan de verdere ontwikkeling van het register. Initiatiefnemer de Onderwijscoöperatie is een vereniging van onderwijsvakorganisaties in Nederland en werkt samen met leraren uit alle onderwijssectoren.
 
Staatssecretaris Zijlstra: ‘Ik ben heel blij dat leraren zelf het initiatief hebben genomen om een register te starten. In lijn met het register in de gezondheidszorg geven leraren hiermee zelf aan over welke kwaliteiten een leraar moet beschikken en welke na- of bijscholing nodig is. Ik nodig alle leraren uit om zich in te schrijven en daarmee te laten zien wat voor een prachtig beroep ze hebben.’
 

 

Inzetten uitgewisseld

Onderhandelingen over CAO VO van start gegaan|

De cao-onderhandelingen over de CAO VO 2012-2013 zijn vandaag van start gegaan. Op 14 februari zijn de inzetten van de VO-raad en de bonden uitgewisseld en voorzien van wederzijdse toelichting. Morgen, 15 februari, gaan de partijen verder met de onderhandelingen.

HIER....... vindt u de inzet van de bonden en HIER....... die van de VO-raad.

Gezamenlijk persbericht FvOv -  AOb – CNV Onderwijs – Abvakabo FNV – AVS

Staking passend onderwijs in ArenA

De stakingsbijeenkomst op dinsdag 6 maart tegen de bezuiniging op passend onderwijs vindt plaats in de Amsterdam ArenA. Dat hebben de gezamenlijke onderwijsbonden zojuist besloten. Vanuit de ArenA willen leraren en schoolleiders een massaal nee laten horen tegen de bezuinigingen en ontslagen in het passend onderwijs en een ja voor de kwaliteit van onderwijs voor alle kinderen.

Al sindshet bekendmaken van de bezuiniging in 2010 is er geen draagvlak voor deze maatregel bij leraren, ambulant begeleiders, schoolleiders, schoolbesturen in zowel het speciaal als regulier onderwijs en ouders. Er zijn alternatieven aangedragen, een petitie met 80.000 handtekeningen overhandigd aan de minister, een manifestatie met meer dan 10.000 demonstranten georganiseerd. De minister blijft vasthouden aan de bezuiniging. Daarom is de maat vol en staakt het onderwijs in het belang van goed onderwijs.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met:

FvOv: Jilles Veenstra 06 39 80 29 15

 

Onderwijsbonden staken tegen bezuinigingen op passend onderwijs

De FvOv, waaronder de UNIENFTO, ondersteunt de stakingen tegen de bezuinigingen op passend onderwijs, die gehouden worden op 6 maart 2012. De gezamenlijke bonden, die deze staking ondersteunen, hebben daartoe een persbericht uit gedaan. De integrale tekst daarvan treft u onderstaand aan.

Onderwijs staakt op 6 maart

De gezamenlijke onderwijsvakbonden roepen leden werkzaam in het primair, voortgezet, speciaal onderwijs en mbo op om 6 maart te gaan staken tegen het voornemen van minister Van Bijsterveldt om 300 miljoen euro te bezuinigen op het passend onderwijs. Die maatregel is zeer nadelig voor de kwaliteit van ons onderwijs en heeft massaontslag, hogere werkdruk voor het achterblijvend personeel en minder tijd voor elke individuele leerling tot gevolg. Het onderwijs doet een ultiem beroep op de Tweede Kamer om af te zien van deze desastreuze maatregel en duizenden mensen voor het onderwijs te behouden. De locatie van de staking volgt nog.

De FvOv (inclusief de UNIENFTO), Algemene Onderwijsbond, CNV Onderwijs, Abvakabo FNV en de Algemene Vereniging Schoolleiders zijn eensgezind over het doel van de actie. Allen zijn zij overtuigd van het nut om zorgleerlingen zoveel mogelijk op te vangen in het reguliere onderwijs, maar voorzien grote nadelige gevolgen voor de kwaliteit als de invoering van passend onderwijs gepaard moet gaan met 300 miljoen euro aan bezuinigingen. Daardoor komen kinderen in grotere klassen terecht en kunnen leerlingen die kunnen meekomen mits ze extra aandacht krijgen vaak alleen een beroep doen op de leraar voor de klas. Die komt daardoor in een spagaat: hij zal er alles aan doen om iedereen te helpen, maar meer tijd voor een zorgleerling betekent minder tijd voor de anderen.

Bezuinigen op passend onderwijs betekent dus bezuinigen op de kwaliteit van ons onderwijs. In een land dat terecht hoge eisen stelt aan onderwijs kan zo’n conclusie alleen maar leiden tot voortschrijdend inzicht: de bezuiniging moet van tafel. Bovendien wijzen de vakbonden het vorige maand gelanceerde excuus dat de bezuiniging omwille van de economische situatie moet worden doorgevoerd resoluut van de hand: sinds het aantreden van het kabinet-Rutte heeft het onderwijs er steeds op gewezen dat alternatieven zijn voor bezuinigingen op het passend onderwijs.

Werkgeversorganisaties worden de komende weken op de hoogte gebracht via aanzeggingsbrieven. De vakbonden treden daarnaast in overleg met andere belangenorganisaties die (indirect) te maken krijgen met de gevolgen van de bezuinigingen. Politieke partijen krijgen de mogelijkheid om als toehoorder aanwezig te zijn op de manifestatie.

Voor meer informatie kunt u contact opnemen met: de voorzitter van de FvOv:

Jilles Veenstra 06 39 80 29 15

 

ABP heeft vandaag de maatregelen en de percentages vastgesteld om zijn financiële positie te verbeteren. Deze maatregelen moeten leiden tot een verbetering van de dekkingsgraad van het fonds eind 2013. 

  • Bent u gepensioneerd? Dan wordt uw pensioenuitkering mogelijk 0,5% lager vanaf 1-4-2013. 
  • Bouwt u pensioen op? Dan wordt het pensioen dat u hebt opgebouwd tot 1-4-2013 mogelijk ook 0,5% lager. 

De verlaging is overigens nog niet zeker. Of die doorgaat hangt af van de financiële situatie van het fonds aan het einde van dit jaar. Daarnaast stijgt de tijdelijke opslag op de premie van 1% naar 3%. De premieverhoging geldt vanaf 1 januari van dit jaar tot vooralsnog einde 2013. 

De Nederlandsche Bank beoordeelt in mei of deze maatregelen voldoende zijn. Het kan dus zijn dat DNB de verlaging nog aanpast.

Geen goed nieuws, helaas 

Voorzitter Henk Brouwer: 'Het zijn vervelende maatregelen die we vandaag moeten aankondigen. Helaas moeten we ook het uiterste redmiddel, het verlagen van de pensioenen, inzetten. Ik begrijp goed dat deelnemers en werkgevers hierdoor teleurgesteld zijn. Op 31-12-2011 hadden we  € 94 in kas voor elke € 100 aan pensioen die we nu en straks moeten uitkeren. Dat is een dekkingsgraad van 94%. Pensioenfondsen zijn verplicht een minimale dekkingsgraad van 105% te hebben. Gemiddeld betekent de verlaging met 0,5% voor gepensioneerden ongeveer € 3,50 netto per maand minder in hun portemonnee.'

Advies van deelnemers en werkgevers 


De werkgeversraad heeft positief geadviseerd over het besluit van het bestuur. Ook de deelnemersraad heeft positief geadviseerd, al was een aanzienlijke minderheid in deze raad tegen het besluit. Beide raden vonden de maatregelen, die alle groepen binnen ABP treffen, pijnlijk.

Werkgevers en werknemers in het hbo hebben in het weekend van 27 op 28 januari constructief onderhandeld over vernieuwing van de cao hbo

Bonden en werkgevers hebben in het weekend van 27 op 28 januari op constructieve wijze onderhandeld over vernieuwing van de cao hbo. De looptijd van de huidige cao eindigt op 1 februari 2012.

Partijen hebben in dat weekend vastgesteld dat zij meer tijd nodig hebben om de onderwerpen die in het onderhandelingsproces aan de orde zijn, zo ver te brengen dat deze zouden kunnen worden omgezet naar cao-afspraken. Sociale partners hebben afgesproken om de maanden februari en maart te gebruiken om deze onderwerpen verder uit te werken met het oogmerk om alsnog tot een cao te komen.

Partijen hebben geconstateerd dat, vanwege het feit dat de cao formeel niet is opgezegd, deze na 1 februari 2012 van rechtswege ongewijzigd doorloopt. Dat betekent dat bestaande rechten en plichten van werkgevers en medewerkers (tevens medewerkers die na 1 februari in dienst treden) worden voortgezet.

 

De bonden UNIENFTO, CNV Onderwijs, ABVAKABO FNV en AOb hadden hun gezamenlijke inzet voor de cao-onderhandelingen voor het hbo al bepaald. De onderhandelingen voor de cao hbo kunnen dus van start op 27 januari 2012.

Inzet bonden voor nieuwe cao HBO

Inzet HBO-raad voor de cao HBO 2012

Selectie verbetervoorstellen HBO-raad inzet cao

 

De FvOv, waarin ook de UNIENFTO vertegenwoordigd is, heeft een brief geschreven aan de Eerste Kamer over de zienswijze van de FvOv inzake de "wet op het voortgezet onderwijs inzake de ionderwijskwaliteit, onderwijstijd en vakanties. Voor deze brief, KLIK HIER........

 

De vakcentrales MHP, FNV en CNV hebben op 18 januari jl. een gezamenlijke brief naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin zij de Tweede Kamerleden oproepen niet in te stemmen met het kabinetsvoorstel dat het mogelijk maakt langjarige arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd af te sluiten. Deze brief is een vervolg op de bezwaren die de MHP in haar brief van 9 december jl. uitte, in het kader van de behandeling van de begroting van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

In de gezamenlijke brief wijzen de vakcentrales erop dat het huidige recht om na maximaal drie jaar een vast contract te krijgen, vergaand wordt uitgehold en de betrokken werknemers vele jaren in onzekerheid blijven verkeren.

Het voorstel wordt gemotiveerd met onjuiste aannames over de effectiviteit van de maatregel als het gaat om investeringen in werknemers. De veronderstelling dat het voorstel in het voordeel is van werknemers is volgens MHP-duovoorzitter Van der Wal apert onjuist. Hoewel het kabinet beweert het ontslagrecht niet te wijzigen, wordt door de voorgestelde verruiming van de ketenbepaling in de Flexwet het tijdelijk contract de norm en het vaste contract de uitzondering. Dit kan nooit de bedoeling zijn. De MHP hoopt dan ook dat, zeker in het belang van de jongere werknemers op de arbeidsmarkt, dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer wordt verworpen.

Klik HIER voor de brief van de vakcentrales!

 

ABP moet maatregelen gaan nemen om te zorgen dat zijn financiële situatie gezond wordt. De dekkingsgraad van ABP per 31 december 2011 is met 94% te laag om aanvullende maatregelen te voorkomen. Het verlagen van de pensioenen (pensioenaanspraken voor werkenden en pensioenrechten voor gepensioneerden) met ongeveer een half procent in 2013 is nu een reële optie geworden. De tijdelijke opslag op de premie om bij te dragen aan het herstel van de financiële positie van ABP gaat van 1 naar 3%.

Het precieze percentage - als de pensioenen verlaagd moeten worden - zal bekend gemaakt worden op 1 februari 2012, nadat de deelnemersraad en werkgeversraad van ABP hierover hun advies hebben gegeven. Dit besluit moet vervolgens nog getoetst worden door De Nederlandsche Bank. Of het besluit daadwerkelijk moet worden uitgevoerd per 1 april 2013, wordt bepaald op basis van de stand van de dekkingsgraad op 31 december 2012.

Voorzitter Henk Brouwer: ‘We kunnen ons heel goed voorstellen dat onze deelnemers hierdoor teleurgesteld zullen zijn. Een besluit tot verlaging van de pensioenaanspraken en pensioenrechten, hoe beperkt ook, is een maatregel die we nemen als het echt niet anders kan. We maken eind van het jaar opnieuw de balans op. Dan weten we of de pensioenaanspraken en – uitkeringen daadwerkelijk verlaagd moeten worden in april 2013.

 

 

Om hogeschoolmedewerkers nog een kans te bieden, is de aanvraagtermijn voor de 500 POP regeling met drie maanden verlengd. Tot 31 maart 2012 kunt u 500 euro aanvragen voor een activiteit uit uw persoonlijk ontwikkelingsplan (POP). U kunt zowel als onderwijsgevend als onderwijsondersteunend medewerker een aanvraag indienen.

Voorwaarden

Om 500 POP te ontvangen gelden de volgende voorwaarden:

  • De medewerker heeft een arbeidsovereenkomst bij een hogeschool die is aangesloten bij de HBO-raad. De arbeidsovereenkomst valt onder de werking van de cao-hbo. Het kan om een tijdelijke of vaste arbeidsovereenkomst gaan.
  • De arbeidsovereenkomst geldt voor minimaal 0,2 fte.
  • De activiteit waarvoor de medewerker de bijdrage vraagt, staat in zijn POP.
  • De activiteit mag nog niet gestart zijn op het moment van aanvraag.

POP

In de cao voor het hbo staat dat elke medewerker een persoonlijk ontwikkelingsplan (POP) moet hebben. Een POP is een plan waarin de medewerker op een rij zet hoe hij/zij zich wil ontwikkelen in zijn/haar verdere loopbaan. Met een POP bereiden medewerkers zich voor op de volgende stap in hun loopbaan of op ontwikkeling in hun huidige functie.

Procedure

Wie aan de voorwaarden voldoet kan een aanvraag indienen. De procedure daarvoor is simpel.

  • De medewerker vult het aanvraagformulier in op www.500pop.nl
  • Hij print het uit en ondertekent het formulier.
  • De leidinggevende zet een handtekening. Daarmee verklaart hij dat de aangevraagde activiteit een onderdeel is van het POP van de medewerker.
  • De medewerker stuurt het ingevulde en ondertekende formulier naar Zestor. Hij doet er een kopie van zijn identiteitsbewijs en aanstellingsovereenkomst bij.
  • De medewerker ontvangt binnen twee weken bericht van Zestor over de toekenning.
  • Zestor behandelt de aanvragen in volgorde van binnenkomst
  • Na afloop van de activiteit stuurt de medewerker een verantwoordingsformulier naar Zestor.
  • Binnen 6 weken na ontvangst van het verantwoordingsformulier maakt Zestor het goedgekeurde subsidiebedrag over naar de bankrekening van de medewerker.

Budget

Voor de uitvoering van de regeling is één miljoen euro beschikbaar. Zestor verdeelt dat bedrag over de hogescholen op basis van studentenaantallen. Elke hogeschool krijgt minimaal € 3.000,-.

Is het budget van de hogeschool op? Dan kunnen medewerkers geen aanvragen meer indienen.

Looptijd

Hogeschoolmedewerkers kunnen tot 31 maart 2012 een aanvraag indienen.
De activiteit waar subsidie voor wordt aangevraagd moet zijn afgerond voor 31 december 2012. 

Ga naar www.500POP.nl en bloei op met 500 POP.

 

Gisteren staakten leraren in het voortgezet onderwijs tegen de 1040 urennorm en op 26 januari heeft de AOb een staking gepland. Sommige leden van de UNIENFTO vragen of wij de leden voor de 26e ook tot staking oproepen. Het antwoord is NEE en hieronder wordt uitgelegd waarom niet!

Standpunt FvOv (Federatie van Onderwijsvakorganisaties) en UNIENFTO

Arbeidsvoorwaarden zijn van de sociale partners aan de cao-tafel. De minister heeft daar bij de doordecentralisatie van het voortgezet onderwijs definitief afscheid van genomen. Vandaar ook de opmerking van Jilles Veenstra, voorzitter van de FvOv: “Schoenmaker blijf bij je leest! De minister gaat over het wat en wij over het hoe! Welk probleem denkt de minister op te lossen als de overgrote meerderheid van de scholen gewoon aan de urennorm kan voldoen? Uiteraard zullen wij dit punt behandelen op de plek waar het thuishoort, namelijkop de cao-tafel.

De FvOv gaat samen met CNV Onderwijs voorlopig niet over tot staken. We zullen langs de diplomatieke lijn trachten de Eerste Kamer te beïnvloeden en doen dat met bonden en de VO-raad. Tevens hebben wij de roostervrije dagen in de huidige cao al als vrije dagen voor docenten aangemerkt en deze kunnen dus in overleg met de MR ook aan de zomervakantie geplakt worden of als vrije dagen in het jaar gepland worden. De minister gaat niet over de vakantie en dus hoeven we ook niet tegen haar beleid te staken. Dan ligt een gang naar de rechter meer voor de hand, aangezien de Wet op het Voortgezet Onderwijs bepaalt dat de arbeidsvoorwaarden worden geregeld tussen de sociale partners.  Staken is voor ons pas aan de orde wanneer we er met de werkgevers niet uitkomen en vooralsnog gaan wij daar niet van uit.

Als het cao-overleg klapt dan kunnen we altijd nog het stakingswapen hanteren en dan voor een bredere agenda.

 

16 januari 2012  |  

Ook de UNIENFTO maakt vanaf 1 januari 2012 deel uit van de FvOv, voorheen de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP geheten.

De Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP opereert sinds 1 januari 2012 onder een nieuwe naam: FvOv oftewel de Federatie van Onderwijsvakorganisaties. Elf vakorganisaties bundelen daarmee hun krachten in één slagvaardige organisatie. “De FvOv vormt hiermee een unieke combinatie van vakinhoudelijke kennis en belangenbehartiging op het gebied van arbeidsvoorwaarden”, aldus voorzitter Jilles Veenstra.

Wat doet de FvOv?
De FvOv behartigt de belangen van bijna 30.000 werknemers in het onderwijs (po, vo, bve en hbo):

  • in landelijk cao-overleg en lokaal overleg over arbeidsvoorwaarden
  • over werkgelegenheid, pensioenen en sociale zekerheid
  • bij individuele behoefte aan rechtsbijstand
  • bij onderwijs- en curriculumontwikkeling
  • als vraagbaak (per onderwijsvakorganisatie) voor vakinhoudelijke vragen, na- en bijscholing

Onderdeel van groter geheel
De FvOv is aangesloten bij de CMHF die de FvOv vertegenwoordigt in de pensioenkamer en het bestuur van ABP. Op zijn beurt is de CMHF aangesloten bij de vakcentrale MHP, die deelneemt aan de gesprekken tussen sociale partners in bijvoorbeeld de Sociaal-Economische Raad en de Stichting van de Arbeid over werkgelegenheid, pensioenen en sociale zekerheid.

Deze elf organisaties vormen de FvOv:
KVLO, Levende Talen, NVLF/O, NVON, NVOP, NVS-NVL, NvVW, UNIENFTO, VLS, VMSO, VONKC.

Minister van Onderwijs, Marjan van Bijsterveldt-Vliegenthart, heeft een brief geschreven aan de bestuurders van mbo-instellingen over de wet-en regelgeving examinering in het mbo. Voor deze brief: KLIK HIER.........

 

De UNIENFTO heeft al jaren gewaarschuwd voor het verschijnsel dat in het MBO steeds meer mensen voor de klas komen te staan die onvoldoende of zelfs helemaal niet bevoegd zijn om les te geven.

Terwijl het ministerie van OCW en de MBO Raad vaak de mond vol hebben over kwaliteitsverbetering en professionalisering, blijkt in de praktijk een omgekeerde trend aanwezig: steeds minder professionals voor de klas en dus teruggang in kwaliteit van het onderwijs! Ook in het kader van de functiemix hebben wij hiertegen regelmatig geageerd. De huidige arbeidsvoorwaarden voor MBO-personeel zijn voor hoger opgeleiden blijkbaar aanleiding het MBO de rug toe te keren!

De UNIENFTO roept ministerie en MBO Raad dan ook op maatregelen te nemen om het tij te keren voordat het MBO dermate veel schade heeft opgelopen dat het te laat is!

Onderstaand bericht kwam vandaag, 5 januari 2012, naar buiten!

'Leraar mbo steeds lager opgeleid'

DEN HAAG -  Leraren uit het middelbaar beroepsonderwijs zijn steeds vaker lager opgeleid. Ze zijn steeds vaker afkomstig uit het bedrijfsleven, de overheid of de zorg. Dat blijkt uit een analyse van het CAOP, het kenniscentrum op het gebied van arbeidsmarkt en overheid. Een woordvoerster van deze organisatie heeft dat donderdag bevestigd.

Oudere docenten, die vaker een hogere opleiding hebben, vertrekken. Ongeveer een derde van het lerarenkorps is 55 jaar of ouder en zal dus de komende jaren met pensioen gaan. Nu staat al 15 procent van de leerkrachten in het mbo zonder onderwijsbevoegdheid voor de klas.

 

 

In diverse media zijn berichten verschenen waarin de financiële positie van ABP genoemd wordt. Tevens worden daar consequenties voor de deelnemers aan verbonden in de zin dat er concreet wordt benoemd met hoeveel de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken verlaagd zouden moeten worden.

Deze berekeningen en de gepresenteerde gevolgen daarvan zijn niet tot stand gekomen op basis van gegevens van ABP. Bepalend voor eventuele maatregelen is de financiële positie van ABP op 31 december 2011. Die positie is op dit moment nog niet bekend. Het pensioenfonds begrijpt dat de deelnemers zo snel mogelijk duidelijkheid willen hebben over wat er met hun pensioenen gebeurt en ook begrijpt ABP dat veel mensen zich zorgen maken. ABP maakt op 19 januari a.s. bekend wat de dekkingsgraad, een belangrijke graadmeter voor de financiële positie, is en of dat betekent dat aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn

Op 19 januari, bij de presentatie van de cijfers van het vierde kwartaal 2011, geeft ABP inzicht in de financiële positie. Dan zal blijken of het fonds aanvullende maatregelen moet treffen omdat de financiële positie onvoldoende is. Die maatregelen zijn bijvoorbeeld het verlagen van de pensioenuitkeringen en pensioenaanspraken.

ABP wil dan een indicatie geven van een eventuele verlaging van de pensioenen. Besluitvorming over de concrete invulling van de aanvullende maatregelen heeft dan nog niet plaatsgevonden. Het bestuur heeft al eerder besloten dat de tijdelijke opslag op de premie in ieder geval van 1% naar 3% gaat, als het herstel van ABP onvoldoende is. 

Op 11 februari levert ABP de evaluatie van het herstelplan in bij De Nederlandsche Bank. In de evaluatie staat beschreven hoe ABP ultimo 2013 weer de vereiste dekkingsgraad van circa 105% bereikt. Ook zijn daarin de maatregelen die ABP wil nemen, beschreven. Als de pensioenen verlaagd moeten worden, wordt er een exact percentage genoemd.

Op 1 februari 2012 zal ABP dat besluit bekend maken. 
De eventuele verlaging van de pensioenen wordt in beginsel in april 2013 geëffectueerd, als de financiële positie van ABP in 2012 niet verbetert.

 

Sinds oktober jl. praten de bonden met de MBO Raad over een nieuwe CAO BVE. Het overleg is zo ingericht dat eerst over de geplande zaken rond het herschrijven van de cao wordt gesproken en in een fase daarna pas de andere, grotere, onderwerpen aan bod zullen komen.

De bonden hebben ingezet op het afronden van het overleg over het herschrijven van de cao vóór Kerstmis. Dat is helaas niet gelukt, omdat er niet alleen technische maar ook een aantal inhoudelijke discussiepunten liggen. Na de kerstvakantie hopen we dit inhoudelijke overleg in het nieuwe jaar verder te kunnen voeren.

 

Begin vorige week uitte de politiek de wens om cao's voortaan uitsluitend nog algemeen verbindend te verklaren als een meerderheid van de werknemers in een sector zich achter het onderhandelingsresultaat schaart. Dit om niet-leden voortaan een stem te geven bij cao-onderhandelingen!

Reactie UNIENFTO en MHP: Cao-onderhandelingen zijn het domein van werkgevers en werknemers. Deze sociale partners worden geacht autonoom van de politiek te opereren en hebben hun eigen plek en verantwoordelijkheid binnen het bestel. Dit om de belangen van hun achterban op een evenwichtige wijze te behartigen, maar ook om iets toe te voegen aan de maatschappij. Deze overlegcultuur heeft Nederland geen windeieren gelegd. Politieke inmenging is dan ook niet goed voor de (sociale) verhoudingen. Een dergelijke wens is dan ook niet nodig en schofferend voor diegenen onder de werknemers die wel lid zijn van een vakbond!.

 

LAKS roept scholieren in het voortgezet onderwijs op om op woensdagmiddag 21 december massaal naar Amsterdam te komen om te protesteren tegen ‘ophokuren’. Samern met de Federatie Onderwijsbonden CMHF nemen we deel aan de actie van het LAKS! We vinden het plan van de minister om de urennorm voor de eerste twee leerjaren opnieuw op 1040 uur te stellen onbegrijpelijk. Dit leidt onherroepelijk tot de door de leerlingen en leraren verfoeide ophokuren. Al door de commissie Cornielje (Onderwijstijd) is geconstateerd dat de 1040 uur geen redelijke norm was, op de werkvloer was dat al langer duidelijk. Voorzitter van de Federatie Jilles Veenstra: ‘We gunnen de leerlingen in het onderwijs veel lessen maar dan moet het wel gaan om kwalitatief goede lessen! Deze maatregel leidt daar niet toe en zal leiden tot ophokuren, vergroten van de klassen dan wel tot een toename van de werkdruk van de leraren doordat een adequate bekostiging uitblijft. Het onderwijs verdient het niet om een speelbal te zijn van politieke spelletjes.’

 

21 december Actie op de Dam

Bij deze roepen we alle leden van de bij de Federatie aangesloten verenigingen op om de actie te ondersteunen en indien mogelijk op de Dam aanwezig te zijn. Ben je lesvrij aanstaande woensdagmiddag (misschien wel omdat er geen leerlingen meer zijn!) dan hopen we dat je naar Amsterdam komt! Dan kunnen we gezamenlijk met de leerlingen laten zien dat we de politiek niet met ons laten sollen. Namens de Federatie zal Jilles Veenstra daar ook het woord voeren.
                                               

De vakantieregeling?

Naast de aanpassing van de onderwijstijd heeft de minister ook nog steeds de vakantie van de leraren op de korrel. De vakantieregeling staat woensdag niet op de actieagenda.  Dit is een zaak tussen de bonden en de VO- raad en niet tussen de bonden en de minister. De huidige cao bepaalt dat roostervrije dagen voor de leerlingen straks ook vrije dagen voor de leraren zijn. De compensatie van feestdagen zal in de komende cao- onderhandelingen aan de orde komen. Een staking is op dit moment dan ook voorbarig. Dat verandert zodra de onderhandelingen met de VO-raad in het komende voorjaar onverhoopt op niets uitlopen of wanneer de minister alsnog bij wet zou willen ingrijpen in onze CAO. In dat geval zullen we natuurlijk alsnog oproepen tot actie!

Datum:    21 december 2011

Tijd:    Van 14 tot 16 uur

Plaats:    Dam te Amsterdam

 

Gisteren hebben de bonden, waaronder de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP, PO- en VO-raad met de minister een principe akkoord bereikt over de personele gevolgen van de bezuiniging Passend Onderwijs. Dit is gedaan om 2 redenen:

1. Behoud van expertise voor de onderwijssector en
2. behoud van werkgelegenheid.
Er ligt een inspanningsverlichting van alle partijen met de opdracht er zorg voor te dragen dat de uitgangspunten behaald worden.

De minister en staatssecretaris van OCW, de PO-Raad, de VO-raad, de AOC Raad, CNV Onderwijs, AVS en CMHF zijn het op 14 december eens geworden over een pakket aan maatregelen om de personele gevolgen van de bezuiniging op passend onderwijs zo goed mogelijk op te vangen. Hoewel er verschil van mening blijft bestaan over de bezuiniging op passend onderwijs, hebben de verschillende partijen na goed en intensief overleg afspraken gemaakt over maatregelen die erop gericht zijn zo veel mogelijk expertise te behouden door personeel van werk naar werk te begeleiden en zo waar mogelijk gedwongen ontslagen te voorkomen.

De afgelopen tijd is door alle partijen gesproken over een zo zorgvuldig mogelijk traject ten aanzien van de personele gevolgen van de bezuiniging op passend onderwijs. Om goede afspraken te kunnen maken over het vervolgtraject, spraken de partijen eerder af de personele gevolgen van de bezuiniging scherper in beeld te laten brengen.

Inmiddels is het inventariserend onderzoek onder schoolbesturen met scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs afgerond. Op basis van deze inventarisatie blijkt dat als gevolg van de bezuiniging 5.100 mensen met ontslag worden bedreigd. Zij zijn werkzaam op 3.700 fte.

Behoud van expertise en voorkomen gedwongen ontslagen

Doel van de maatregelen is dat expertise van het personeel zo veel mogelijk wordt behouden en dat gedwongen ontslagen zo veel mogelijk worden voorkomen. Partijen gaan, nadat zij de afspraken hebben voorgelegd aan hun achterban, vanuit hun eigen rol en verantwoordelijkheid aan de slag met de afspraken. Van individuele werknemers wordt gevraagd om de kansen die hen worden geboden om hun eigen loopbaanontwikkeling vorm te geven, te benutten. Ook werkgevers nemen hun verantwoordelijkheid door met goed HRM beleid de expertise van mensen zo veel mogelijk te behouden en effectief in te zetten binnen de regionale samenwerkingsverbanden.

Dit aantal zal waarschijnlijk lager uitvallen, omdat meerdere schoolbesturen hebben aangegeven mogelijkheden te zien om een deel van de noodzakelijke personeelsreductie in de komende jaren te realiseren. De inventarisatie wijst uit dat door natuurlijk verloop, beëindiging van de inhuur van personeel, van detachering of door vrijwillige in- of externe mobiliteit dit aantal kan dalen naar zo’n 2500 fte, dit correspondeert met 3500 mensen die met ontslag worden bedreigd.

De minister en staatssecretaris hebben de rapportage van de inventarisatie naar de Tweede Kamer gestuurd.

 

MHP-reactie op FNV-plan

De MHP heeft kennisgenomen van de ontwikkelingen bij de vakcentrale FNV. Met grote belangstelling zullen de ontwikkelingen nauwgezet worden gevolgd. Op dit moment is er geen aanleiding voor een koerswijziging bij de MHP. De MHP hoopt dat er zo snel mogelijk oplossingen worden gevonden bij de FNV gegeven de huidige, sociaal-economische crisis in ons land.

De MHP ziet geen reden tot het overstappen naar de nieuwe FNV-vakbond in oprichting. Als belangenbehartiger van en voor Middengroepen en Hoger Personeel is de MHP verankerd in Nederland als onafhankelijke vakcentrale. "MHP-bonden staan dicht bij de achterban door zich hecht te organiseren rond beroepsgroepen en -verenigingen. Op Schiphol zie je bijvoorbeeld hoe de vliegers (VNV), het grond- en cabinepersoneel (UNC) en de Vereniging van Hoger Personeel KLM-Personeel (VHKP) als een MHP-eenheid in verscheidenheid zich voor hun beroepsgroep inzetten’’, aldus MHP-duovoorzitter Bob van der Wal.

De MHP heeft bij veranderende arbeidsverhoudingen ook nooit behoefte aan een centrale looneis. In de sectoren en in bedrijven is maatwerk en professionaliteit van de werknemer voor onze bonden de inzet. Uit de eerste reacties onder de voorzitters van de bij de MHP aangesloten organisaties blijkt er geen behoefte aan een aansluiting bij ‘de nieuwe Vakbond’.

 

Door een verandering van de zorgverzekeringswet gaan werknemers met een bruto maandsalaris boven de € 3.500 er vanaf 1 januari 2012 op achteruit.

Uit berekeningen van salarisadministrateur Salar blijkt dat werknemers met een inkomen tot ongeveer €3250 er op vooruitgaan, maar mensen met een inkomen vanaf €3500 er op achteruit. Werknemers met een inkomen van €4500 leveren per maand €29,70 in. De achteruitgang kan oplopen tot €500 per jaar.

De oorzaak van de verschillen zit voornamelijk in de ZorgVerzekeringsWet (ZVW), waarbij de maximering fors is verhoogd. Waar in 2011 over de eerste € 33.427 de premie wordt berekend, zal in 2012 over de eerste €50.056 premie worden ingehouden. 

Een extra achteruitgang is er voor mensen die deelnemen aan de spaarloonregeling. Deze regeling vervalt per 1 januari. Een bedrag van € 613 per jaar van het brutosalaris kan dan niet meer belastingvrij worden gespaard.

De  MHP heeft eerder de koopkracht doorgerekend als gevolg van de maatregelen die in de Miljoenennota 2012 werden aangekondigd. Daaruit blijkt dat vooral de middengroepen, door een stapeling van kabinetsmaatregelen, zwaar worden getroffen. 

De Europese Unie streeft naar maximale harmonisatie van de diverse pensioenstelsels in Europa. Dit valt te lezen in het onlangs uitgelekte Witboek van de Europese Commissie, maar wordt ook duidelijk aan de hand van de IORP-richtlijn, die ter consultatie voorligt. Volgens de MHP is dit nu niet wenselijk. De pensioenstelsels in de verschillende landen verschillen te veel van elkaar om volledige harmonisatie nu een kans van slagen te geven, aldus MHP-beleidsmedewerkster Klaartje de Boer. “Geen land in Europa heeft zoveel pensioen opgebouwd als wij in Nederland. Daarnaast zijn wij met ons drie pijler stelsel, met een AOW (op omslagbasis waarbij de werkenden voor de gepensioneerden betalen), aanvullend pensioen (op kapitaalbasis waarbij iedere werknemer in een collectief voor zijn eigen pensioen spaart) en een derde pijler (individueel bijsparen)vrij uniek. De wens van de EU om te streven naar adequate, veilige en duurzame pensioenen onderschrijft de MHP, maar hieraan dient een lidstaat wel zelf een invulling te geven, die past bij de arbeidsmarkt, de sociale wet- en regelgeving en de fiscale wet- en regelgeving van het land.”

 Hierbij moet in ogenschouw worden genomen dat Nederland pensioenen beter geregeld heeft dan menig ander land in de EU, zwaardere voorschriften heeft dan vele andere lidstaten en dat het streven naar adequate, veilige en duurzame pensioenen nimmer mag leiden tot een verslechtering van de positie van de Nederlandse werknemers, omdat andere landen een lager niveau hebben. De MHP is dan ook van mening dat de EU zich voornamelijk zou moeten richten op die landen, waar nog geen sprake is van een adequate, veilige en duurzame pensioenvoorziening en hierbij de goede elementen van het Nederlandse stelsel en het toekomstige nieuwe pensioencontract als voorbeeld zou kunnen gebruiken.

 

In bijgaand overzicht hebben we geprobeerd om schematisch de verschillen tussen de levensloopregeling, spaarloonregeling en de vitaliteitsregeling weer te geven.  Klik HIER.........

 

Met hoger opgeleide docenten, bekwamer management en goed personeelsbeleid moet de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs de komende jaren verder verbeteren. Dit staat in het akkoord over prestatieafspraken dat staatssecretaris Zijlstra met de MBO Raad heeft afgesloten. Het mbo is de eerste sector waarmee staatssecretaris Zijlstra dergelijke afspraken vastlegt.

Meer masteropgeleide docenten

Het akkoord bevat onder meer afspraken over de verhoging van de kwaliteit van het onderwijspersoneel, de bekwaamheid van het management en de verbetering van het personeelsbeleid. Het mbo zal zich inzetten om het  aantal masteropgeleide leraren substantieel te verhogen.

In het akkoord is verder vastgelegd dat een substantieel aantal mbo-instellingen deel gaat nemen aan de experimenten met prestatiebeloning. Ook gaat de MBO Raad 
met de onderwijscoöperatie samenwerken in een pilot voor een register van het onderwijspersoneel.

De afspraken zijn een logisch vervolg op het Professioneel Statuut van het mbo, en op de actieplannen ‘Focus op vakmanschap’ en ‘Leraar 2020 - een krachtig beroep!

“Goed onderwijs valt of staat met de kwaliteit van de leraar. Maar ook het management en verdere ondersteuning van het onderwijspersoneel moeten natuurlijk op orde zijn. We ondertekenen dit bestuursakkoord om de kwaliteit van alle professionals over de volle breedte te verhogen,” aldus staatssecretaris Zijlstra.

 

Bovenstaande vraag wordt ons regelmatig gesteld door leden. Het is een gerechtvaardigde en begrijpelijke vraag natuurlijk, zeker als we weten dat de looptijd van de CAO BVE op 1 april 2011 al voorbij was. Sommige mensen denken nog steeds ten onrechte dat het bekende paarse boekje met het opschrift CAO BVE 2007-2009 de laatste CAO BVE is geweest. Het is wel de laatste die in de vorm van een handzaam boekje verschenen is, dat klopt, maar de cao is maar liefst drie keer verlengd. Voor de complete versie van de geldende cao-bepalingen moet u op onze website kijken onder CAO's.

Maar goed, ook deze derde en laatste verlenging is dus weer geschiedenis en sinds 1 april 2011 zitten we dus in feite zonder CAO BVE. Voor mensen die reeds op 1 april jl. in dienst waren, is er feitelijk niets aan de hand, omdat er sprake is van nawerking van de cao. Alle regelingen waaraan werknemers rechten konden ontlenen tot die datum blijven nadien ook van kracht. In de meeste gevallen hanteren werkgevers ook de oude cao voor werknemers die na 1 april 2011 in dienst zijn gekomen. Als ze andere afspraken gemaakt hebben, dan zijn die namelijk niet meer geldig zodra er een nieuwe cao is afgesproken en moeten ze met terugwerkende kracht worden hersteld.

Herschrijfoperatie bijna voltooid

Het lijkt misschien voor de buitenstaander alsof er een hele tijd niets is gebeurd rondom de CAO BVE, maar niets is minder waar. We zijn namelijk als bonden en MBO Raad in de zogeheten cao-werkgroep al geruime tijd bezig met de zogeheten herschrijfoperatie. Dat wil zeggen dat we elk cao-artikel als het ware onder een vergrootglas en op een weegschaal hebben gelegd en hebben getracht om artikelen duidelijker, in moderner en helderder Nederlands op te schrijven. Soms lukt dat vrij eenvoudig, als het bijvoorbeeld archaïsche teksten betreft die nog uit de RpbO-tijd stammen, maar vaak is het niet zo eenvoudig, omdat een poging tot een andere wijze van opschrijven ene interpretatieverschil tussen werkgevers en werknemers aan het licht brengt. Zulke teksten zijn dus blijkbaar voor meerdere uitleg vatbaar en moeten dan dus naar een eenduidige tekst vertaald worden waar beide partijen mee kunnen instemmen.

We zitten nu zo ongeveer in het stadium dat 95% van de CAO BVE is herschreven tot tevredenheid van beide partijen, maar dat er nog 5% besproken dient te worden waarover we verschil van mening of een andere interpretatie hebben. Ook andere wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van het sparen van vakantiedagen, noopt soms tot het herschrijven van bepaalde artikelen uit de cao. Die 5% wordt op de cao-tafel besproken. Worden we het ook daarover eens, dan hebben we in elk geval een nieuwe cao-tekst die in een boekje kan worden vastgelegd. Pas daarna gaan we onderhandelen over wat je zou kunnen noemen “een nieuwe cao met ook bespreking van de grote onderwerpen”.

Financiële paragraaf moeilijk onderdeel

Je hoeft geen helderziende of een groot cao-expert te zijn, om te constateren dat een financiële paragraaf van een cao niet het gemakkelijkste onderdeel van de afspraken zal zijn. Het kabinet heeft het nog steeds over een zogeheten nullijn voor de overheidssectoren, dus ook voor de BVE-sector. Aan de andere kant is het wel zo dat de mensen in de BVE-sector geen structurele loonsverhoging meer gehad hebben in de vorm van een ASM (Algemene Salaris Maatregel) sinds juli 2008 (!) toen de salarissen met 2,4% omhoog gingen. Nadien kwam er alleen af en toe iets bij in de vorm van een uitkering ineens van 200 euro bruto, een uitkering die bij de derde en laatste cao-verlenging is omgezet in een bedrag bovenop het brutosalaris van ongeveer 29 euro.

Qua salaris zijn we dus verre van verwend de afgelopen drie jaar in de BVE-sector. Gezien de geringe inflatie was dat aanvankelijk nog wel te verteren, maar nu de inflatie inmiddels gestaag is opgelopen naar rond de 2,5% zou een nullijn inmiddels in de praktijk een vette minlijn betekenen! Bonden zullen dus hoe dan ook moeten proberen iets van een financiële paragraaf aan de afspraken toe te voegen.

 

Mbo-scholen die studenten zonder geldige verblijfstitel stage laten lopen als onderdeel van hun onderwijsprogramma, houden het risico op boetes. Minister Kamp heeft de Kamer per brief laten weten dat aanpassing van de Wet arbeid vreemdelingen (WAV) strijdig zou zijn met het regeerakkoord, waarin staat dat illegaal verblijf strafbaar moet worden gesteld.

De scholen blijven dus klem zitten tussen de conflicterende wetsbepalingen van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) en de WAV. Waar de WEB hen de verplichting oplegt aan alle studenten volwaardig onderwijs te bieden, maakt de WAV het onmogelijk deze verplichting na te komen. De MBO Raad vindt dat instellingen in staat gesteld moeten worden hun onderwijsplicht onbelemmerd uit te voeren. De MBO Raad roept daarom instellingen die voor dergelijke zaken zijn beboet op om de boete aan te vechten. Verschillende Kamerleden zijn eveneens niet bereid om het hierbij te laten en onderzoeken welke opties er zijn om stages toch mogelijk te maken.

Kamp reageert met zijn brief op de motie van CDA, PvdA en Groen Links om een oplossing te zoeken voor de knellende situatie van scholen en studenten. De brief is mede namens minister Van Bijsterveldt geschreven, die het standpunt nog eens bevestigde in een recent gesprek met MBO Raad-voorzitter Jan van Zijl. Scholen die studenten in een asielprocedure toch stage laten lopen, lopen het risico een boete krijgen van de Arbeidsinspectie omdat deze hen beschouwt als werkgever in de zin van de WAV. Sinds 30 september kunnen deze scholen een beroep doen op het ‘Stoutfonds’ van Start Foundation, dat €150.000,- heeft uitgetrokken om de boetes te betalen. Aan het mbo volgen nu zo’n 350 tot 400 studenten in verschillende stadia van hun asielprocedure onderwijs. 

 

De MHP maakt zich steeds meer zorgen over het gemak waarmee de politiek zich bemoeit met het domein van sociale partners. Eerst wordt in het regeerakkoord opgeschreven dat cao’s niet meer algemeen verbindend verklaard (avv) zullen worden als er onvoldoende afspraken worden gemaakt over duurzame inzetbaarheid.

Vervolgens neemt de Tweede Kamer een aantal moties aan, die erop neerkomen dat het instrument van het avv-en misbruikt wordt. Als niet 100% van de cao’s afspraken bevatten over het aan het werk helpen van bepaalde doelgroepen, moet de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) niet meer overgaan tot het avv-en van cao’s. En ook afgelopen week was er weer een staaltje van politieke bemoeizucht. Zo heeft minister Kamp van SZW een brief aan de Tweede Kamer gestuurd, waarin hij aangeeft dat hij vindt dat piloten te vroeg met pensioen gaan, zonder zich nader te verdiepen in de reden van een bepaalde pensioenleeftijd bij de verkeersvliegers. De pensioenregeling van piloten voldoet gewoon aan de wettelijke kaders en is tot stand gekomen tussen de betrokken sociale partners. Het CDA-Kamerlid Van Hijum komt vlak daarna weer met het voorstel dat werkgevers gemakkelijker moeten kunnen afwijken van cao-afspraken, als hen dat om bedrijfseconomische redenen beter uitkomt. Ook in dit voorstel gaat de overheid zich direct inmengen in arbeidsvoorwaardelijke afspraken tussen werkgevers en werknemers.

MHP-bestuurder Eddy Haket verbaast zich elke dag weer: “Regelmatig worden we met proefballonnetjes geconfronteerd van politici, die willen ingrijpen in ons stelsel van arbeidsvoorwaarden en op de stoelen van werkgevers en werknemers gaan zitten. En dat terwijl ze de mond vol hebben van een kleinere overheid en een overheid op afstand. De bemoeizucht neemt echter zienderogen toe.

 

Minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 30 september jl. een toelichting aan de Tweede Kamer gestuurd op het vitaliteitspakket, dat onderdeel uitmaakt van de afspraken uit het Pensioenakkoord. Deze brief is een bevestiging van de eerdere toelichting die we al hebben gegeven in onder andere het MHP-bulletin 11.20 van 15 september jl. De brief van de minister is te downloaden via www.rijksoverheid.nl.  Over de brief zijn in de afgelopen dagen meerdere vragen bij ons binnengekomen. Deels werden deze veroorzaakt door verkeerde teksten van SZW op de website. Hieronder daarom nog in het kort een toelichting.

Vitaliteitspaarregeling

Er komt een nieuwe spaarregeling, namelijk het ‘vitaliteitsparen’. Over de inleg hoeft geen belasting te worden betaald, dat wil zeggen dat het uit het brutoloon gespaard kan worden. Pas als iemand geld opneemt van de spaarrekening is over de opname inkomstenbelasting verschuldigd. We noemen dit de ‘omkeerregel’, zoals ook bij pensioenen het geval is. Daarnaast telt het tegoed op de spaarrekening niet mee voor box 3 van de Inkomstenbelasting (vermogen). Er kan tot maximaal € 20.000 gespaard worden, waarbij een jaarlijkse maximum inleg van € 5.000 euro geldt. Deelnemers kunnen na een opname opnieuw geld op de rekening storten tot het maximum van € 20.000 weer is bereikt. Er gelden geen beperkingen ten aanzien van de aanwending of het tijdstip van opname. De enige beperking die bestaat is dat er jaarlijks maximaal € 10.000 mag worden opgenomen vanaf het jaar waarin een deelnemer op 1 januari 62 jaar oud is. Vitaliteitsparen geldt zowel voor werknemers als zelfstandigen zonder personeel.

Levensloopregeling

Werknemers die momenteel een levenslooprekening hebben, kunnen hier gewoon geld op blijven storten, tot het maximum van 210% van het brutosalaris. De enige voorwaarde die er geldt, is dat op 31 december 2011 minimaal € 3.000 tegoed op de levenslooprekening staat. Iemand, die gebruik blijft maken van de levensloopregeling, kan geen gebruik maken van de vitaliteitsregeling. Iemand kan nooit èn een levenslooprekening èn een vitaliteitspaarrekening naast elkaar hebben.

Als iemand momenteel een levenslooprekening heeft, waarop minder dan 3.000 euro staat, kan die deze nog voor 1 januari 2012 tot minimaal 3.000 euro aanvullen, zodat er ook na 1 januari 2012 gebruik kan blijven worden gemaakt van deze regeling. Mensen die geen levenslooprekening hebben komen vanaf 2013 alleen nog in aanmerking voor de vitaliteitsregeling. Als men minder dan € 3.000 op de levenslooprekening heeft staan, kan men het tegoed straks (onbelast) doorstorten naar de vitaliteitsrekening. Als men darvoor niet kiest en het tegoed laat uitkeren, moet hierover belasting worden betaald (het betreft immers een opname). Overigens vervalt met ingang van 1 januari 2012 de opbouw van de extra heffingskorting (levensloopverlofkorting). Deze levensloopkorting bedraagt € 201 per jaar, waarin geld gestort is op de levenslooprekening.

Spaarloonregeling

Zoals het kabinet al in het regeerakkoord bekend heeft gemaakt wordt na 18 jaar de spaarloonregeling afgeschaft. De spaarloonregeling werd in 1994 ingevoerd als tegenprestatie om de loonontwikkeling te matigen. Op de spaarloonrekening kon jaarlijks tot een bepaald maximum (anno 2011: € 613,00) een deel van het brutoloon worden ingelegd. Dit geld werd op een geblokkeerde spaarrekening gestort en onder bepaalde voorwaarden vrijgegeven, maar in ieder geval na 4 jaar. De geblokkeerde tegoeden werden niet meegerekend bij het box 3-vermogen in de inkomstenbelasting en over de vrijgegeven bedragen hoefde door de werknemer geen belasting te worden betaald. In vrij korte tijd kon de bruto inleg dus netto worden uitbetaald en was deze daarom een aantrekkelijke regeling voor veel werknemers.

Het kabinet heeft echter besloten de regeling per 1 januari 2012 af te schaffen. Dit betekent dat het opgebouwde spaarloon met ingang van 1 januari 2012 vrij op te nemen is. Het opgebouwde vermogen op de spaarloonrekening valt op 1 januari 2012 vrij, maar de deelnemers aan de spaarloonregeling kunnen hun tegoed ook laten staan op de geblokkeerde spaarrekening. Als men zich aan de voorwaarden van de spaarloonregeling houdt, dan blijft voor die tegoeden de vrijstelling in box 3 in stand. De tegoeden worden dan jaarlijks gedeeltelijk vrijgegeven, zoals nu ook het geval is (vier jaar na de inlegdatum).

Ik wijs er overigens op dat werkgevers voor elke deelnemer aan de spaarloonregeling € 154 kwijt zijn, omdat ze nu nog 25% eindheffing moeten betalen over de inleg. Over dit bedrag kan bijvoorbeeld in het arbeidsvoorwaardenoverleg de afspraak worden gemaakt dat de werkgever dit geld voortaan (extra) inlegt in de vitaliteitsregeling.

Eddy Haket, MHP

De grote beroepsorganisaties in het onderwijs werken voortaan samen in de nieuwe Onderwijscoöperatie.  Met elkaar richten zij zich op de leraren in het basis-, voortgezet en beroepsonderwijs om kwalitatief goed onderwijs te kunnen waarborgen.

De Onderwijscoöperatie is als organisatie van, voor en door leraren gesprekspartner voor politiek en onderwijswereld. De Onderwijscoöperatie is een initiatief van de onderwijsvakbonden AOb, Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP (waartoe de UNIENFTO toetreedt), CNV Onderwijs, het Platform vakinhoudelijke verenigingen voortgezet onderwijs (PVVVO) en Beter Onderwijs Nederland (BON). In dit samenwerkingsverband richten zij zich op hun gemeenschappelijke doel: ontwikkeling van de beroepskwaliteit en versterking van de positie van de leraar. De Onderwijscoöperatie wil de onderwijskwaliteit garanderen door zich in te zetten voor de bekwaamheid van de leraar, de professionele ruimte voor de zeggenschap van de leraar en een goed imago van de beroepsgroep.

Lerarenregister
Om de kwaliteit ook zichtbaar te maken introduceert de Onderwijscoöperatie een landelijk lerarenregister. In dit register kunnen leraren vastleggen wat zij doen aan beroepsontwikkeling. Het register moet leraren uitnodigen zich verder te professionaliseren. In januari 2012 kunnen de eerste leraren zich al registreren. Dit gebeurt op vrijwillige basis.

Kracht en kennis van elkaar benutten
Leraren zijn nauw betrokken bij de coöperatie via commissies van leraren. De commissies  adviseren de Onderwijscoöperatie over relevante onderwerpen. Denk aan het beroepsprofiel, de kwalificatiestructuur en kwaliteitsverbeteringen van de lerarenopleidingen. Een lerarencommissie bestaat uit leden van een lerarengroep, bijvoorbeeld leraren primair onderwijs of leraren Engels.

Structuur Onderwijscoöperatie
De Onderwijscoöperatie wordt gevormd door een aantal werkgroepen zoals lerarencommissies (over bekwaamheid en professionalisering) en het bureau (coördinatie). De koers wordt bepaald door een Lerarenadviesraad met haar senatoren (deskundigen van buiten de beroepsgroep). Deze raad adviseert het bestuur, bestaande uit de voorzitters van de beroepsorganisaties onder leiding van de onafhankelijke voorzitter Joost Kentson. Het bestuur wordt gecontroleerd door de Algemene Ledenvergadering. Dit is het hoogste formele orgaan en wordt gevormd door leden van de aangesloten beroepsorganisaties. 

Samenwerking
De coöperatie streeft naar samenwerking met alle onderwijsorganisaties. Met de raden (vertegenwoordigers van werkgevers in het onderwijs) wordt de komende periode overleg gevoerd over de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor onderwijs- en beroepskwaliteit.

De Onderwijscoöperatie is een initiatief van de onderwijsvakbonden AOb, Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP, CNV Onderwijs, het Platform vakinhoudelijke verenigingen voortgezet onderwijs (PVVVO) en Beter Onderwijs Nederland (BON. Ook andere lerarenorganisaties kunnen zich aansluiten als zij minimaal 4.000 leden hebben. Alle aangesloten organisaties blijven ieder hun eigen, specifieke taak en doel houden. De Onderwijscoöperatie start op 1 oktober 2011. De Stichting Beroepskwaliteit Leraren en ander onderwijspersoneel (SBL) is per 1 oktober opgeheven.

 

De Wet op de ondernemingsraden (WOr) voorziet in de instelling van zogeheten bedrijfscommissies. De belangrijkste taak van die bedrijfscommissies is bemiddeling tussen partijen bij een geschil over naleving en uitvoering van de WOR. Vaak gaat het om een conflict tussen de ondernemingsraad (of PVt) en de bestuurder. Slaagt de bemiddeling niet, dan adviseert de be- drijfscommissie de betrokken partijen bij het geschil. 

Voor meer informatie KLIK HIER..........

 

 

1.         Looptijd

De nieuwe CAO kent een looptijd van twee jaar, van 1 februari 2010 tot 1 februari 2012.

2          Inkomensontwikkeling

Salarisontwikkeling

De schaallonen worden per 1 januari 2012 verhoogd met 0,5%.

Incidentele nominale uitkering

Aan het personeel wordt in november 2011 een incidentele nominale uitkering verstrekt van 300 euro (bruto) bij een normbetrekking. Voor parttimers geldt een uitkering naar rato van de omvang van de betrekking.

Loonruimte 2012

Werkgevers zeggen toe dat wanneer zij van het kabinet voor het jaar 2012 financiële ruimte krijgen voor de loonbijstelling, zij deze middelen integraal beschikbaar zullen stellen voor de verbeteren van de primaire arbeidsvoorwaarden.

3.         Gevolgen WGA voor werknemers

In de CAO wordt vastgelegd dat de werkgever met de OR afspraken zal maken over een collectieve verzekering voor het personeel teneinde een eventuele inkomensachteruitgang als gevolg van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid en de daarmee samenhangende werkloosheid (WGA-verzekering) op te vangen. De kosten van deze collectieve verzekering komen ten lasten van het kenniscentrum.

De afspraken dienen voor het 1 februari 2012 geconcretiseerd te worden.

4.         Ouderenverlof

Partijen zullen in het kader van de CAO-kenniscentra 2012-ev open en constructief overleg voeren over een levensfasebewust beleid, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke keuze van de werknemer.

Het overleg is erop gericht om de huidige regeling Ouderenverlof om te zetten in een regeling waarbij de medewerkers een persoonlijk budget toebedeeld krijgen. Dit budget zal gefinancierd worden uit de middelen die vrijvallen bij de afschaffing van het ouderenverlof. Tevens zal bezien worden of ook andere regelingen (zoals het betaald ouderschapsverlof) geïntegreerd kunnen worden in de nieuwe regeling met het persoonsgebonden budget.

5.         Nieuwe vakantiewetgeving

Per 1 januari 2012 treedt een wijziging op in een aantal bepalingen van het boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die ondermeer betrekking hebben op de opbouw vakantiedagen tijdens ziekte en de vervaltermijnen van vakantiedagen. Partijen komen overeenkomen om de CAO te laten aansluiten op het wettelijk regime.

De kenniscentra zullen aan het begin van elk kalenderjaar een overzicht aan hun medewerkers verstrekken met de vakantieaanspraken, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen ADV, de wettelijke vakantiedagen, de bovenwettelijke vakantiedagen en de eventueel nog niet genoten vakantiedagen die voor 1 januari 2012 zijn opgebouwd, met vermelding van de hieraan gerelateerde verval- en verjaringstermijnen.

6.         Termijnen bij ontslag vanwege bedrijfseconomische redenen

In de huidige CAO wordt  ten aanzien van het collectief en individueel ontslag in verband met daling van bekostiging, fusie etc. een aantal termijnen genoemd die door een kenniscentrum in acht moeten worden genomen. Deze termijnen worden door de kenniscentra als knellend ervaren.

Het betreft hier de termijnen genoemd in:

1)         artikel 4.5.1 lid 1 en 3: in kennisstelling Centrales (12 maanden) en het voeren van IGO (9 maanden);

2)         artikel 4.5.1 lid 4: (vooraankondiging collectief ontslag betrokken werknemers (6 maanden);

3)         artikel 4.5.2: vooraankondiging individueel ontslag betrokken werknemers

(9 maanden).

De betreffende termijnen worden als volgt aangepast:

Collectief ontslag

De termijn betreffende de vooraankondiging richting Centrales wordt teruggebracht van 12 maanden naar 8 maanden, de termijn voor het initiëren van IGO wordt verkort van 9 maanden naar 6 maanden, de termijn die gehanteerd moet worden voor de vooraankondiging aan de werknemer wordt 4 maanden in plaats van de huidige 6 maanden.

Individueel ontslag

De vooraankondigingstermijn van 9 maanden wordt ingekort naar 6 maanden.

7.         Opbouw van ADV bij verlof (ziekte, zwangerschapsverlof en ouderschapsverlof)

In het geval een medewerker gebruik maakt van de regeling Ouderschapsverlof (al dan niet betaald), de regeling Zwangerschap- en Bevallingsverlof of de regeling Ouderenverlof, dan wel buitengewoon verlof geniet vanwege adoptie, levensloop of zorgtaken zal over de verlofuren geen ADV worden opgebouwd.

Daarnaast stopt de opbouw van ADV wanneer een medewerker langer dan een maand ziek is.

Technische aanpassingen

-           Ouderschapsverlof

Sinds 1 januari 2009 is de wettelijke regeling inzake het onbetaald ouderschapsverlof verruimd. De maximale duur van het onbetaald ouderschapsverlof is nu 26 weken (bij volledig verlof). De cao zal hierop aangepast worden.

-           aanpassing verhuiskostenregeling i.v.m. fiscale wijziging

Om in aanmerking te komen voor een verhuiskostenvergoeding dient de medewerker woonachtig te zijn op een afstand van minimaal 6 zones van het werk en dient door de verhuizing de reisafstand verkort te worden met 5 zones.

Aansluiting wordt gezocht bij het fiscale regime. Dit betekent dat een medewerker aanspraak kan maken op een (onbelaste) vergoeding van de verhuiskosten wanneer de afstand tussen de woonplaats en het werk minimaal 25 kilometer bedraagt en door de verhuizing de afstand tot het werk met 60% wordt bekort.

-           Reiskosten dienstreizen, bijlage VII,  artikel 2c, lid 2, sub a

            Er zit in de cao een tegenstrijdigheid als het gaat om de vergoeding van reiskosten bij dienstreizen voor medewerkers in de binnendienst. In de bijlage 1 van de cao wordt een kilometervergoeding genoemd van € 0,30

(voor de eerste 10.000 kilometer). In artikel 2c,lid 2, sub a wordt in dit kader een bedrag genoemd dat belastingvrij mag worden gegeven (€ 0,19). Het bedrag van € 0,30 prevaleert.

-           AOW-gerechtigd leeftijd

Met ingang van 2012 ontstaat de aanspraak op AOW op het moment dat iemand de leeftijd van 65 jaar bereikt. De ZAR-kenniscentra en het BWR-kenniscentra zullen hiermee in lijn worden gebracht. De passages waarin gerept wordt van "de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt" zullen gewijzigd worden in de zinsnede "de dag waarop de medewerker 65 jaar wordt".

-           Zeggenschap    

Een kenniscentrum met 10 tot 50 medewerkers is verplicht een OR in te richten, die bestaat uit 3 leden en die alleen adviesrecht heeft. Nagegaan zal worden in hoeverre de beperking ten aanzien van de bevoegdheden  strookt met Wet op de ondernemingsraden.


De toekomsplannent van de levensloopregeling alsmede de spaarloonregeling veranderen regelmatig. Onderstaand zullen wij u de stand van zaken per heden weergeven. Zoals u weet speelt er het een en ander rondom levensloop en de vitaliteitsregeling. Misschien heeft u ook levensloop afgesloten bij Loyalis of een andere partij en bent u benieuwd naar wat er met deze regelingen gaat gebeuren.

Heeft u een levenslooppolis?
Heeft u op 31-12-2011 een bedrag van minimaal € 3.000 gespaard?
Dan verandert er voor u niets, u valt onder de overgangsregeling. Uw levenslooprekening met daarop uw gespaarde tegoed blijft gewoon bestaan.

Heeft u op 31-12-2011 een bedrag gespaard dat lager is dan € 3.000 ?  
Dan wordt uw levenslooprekening omgezet en opgeheven. U kunt nog wel uw levenslooprekening behouden en blijven inleggen als jouw spaartegoed € 3.000 of meer is op 31-12-2011. Daarvoor kunt u een extra storting doen naar jouw levenslooprekening. Zo kunt u toch nog blijven sparen voor bijvoorbeeld eerder stoppen met werken.

De levensloopverlofkorting vervalt vanaf 2012.

Heeft u nog geen levenslooppolis?
U kunt tot het einde van 2011 nog starten met levensloop. Als je minimaal € 3.000 inlegt, bijvoorbeeld uit je eindejaarsuitkering, dan kun je ook na 1-1-2012 blijven inleggen voor levensloop. Hiermee leg je de basis om straks tussentijds verlof te nemen of eerder te stoppen met werken. Het openen van een levenslooprekening is mogelijk tot 30-12-2011.

Hoe zit het met spaarloon?
Het spaarloon wordt afgeschaft. Vanaf 2012 is het niet meer mogelijk om geld in te leggen in de spaarloonregeling. In 2011 verandert er nog niets. In 2012 is het mogelijk om uw gehele inleg op de spaarloonregeling op te nemen!

Wat zijn de plannen rond het vitaliteitspakket?
Het vitaliteitspakket bestaat uit een aantal maatregelen waarmee je verlof kunt opnemen. In dat pakket staan onder andere de volgende elementen:

Er komt een overgangsregeling voor levensloopklanten die minimaal € 3.000 gespaard hebben op 31-12-2011.

Er komt een nieuwe spaarregeling waarin per jaar maximaal € 5.000 ingelegd mag worden. In totaal mag maximaal € 20.000 gespaard worden. Deelnemers kunnen jaarlijks maximaal € 20.000 opnemen en vervolgens opnieuw sparen tot het maximum weer bereikt is. Het bedrag is vrij besteedbaar. Dit sparen wordt fiscaal ondersteund en gaat niet via het salaris maar via de belastingaangifte. Vanaf het jaar waarin de deelnemer op 1 januari 62 jaar oud is, mag per jaar maximaal € 10.000 worden opgenomen. De opname van het tegoed moet wel uiterlijk voor het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd plaats te vinden.

Er wordt een bonusregeling vanuit de overheid voorgesteld waardoor mensen met lagere inkomens eerder kunnen stoppen met werken.

Bovenstaande informatie is gebaseerd op de meest recente informatie die we hebben en is o.a. afkomstig uit formele stukken over het pensioenakkoord en het Belastingplan 2012. Na overleg met de vakbonden en na behandeling in de Tweede Kamer heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid echter nog aanvullende afspraken gemaakt die onder meer de overgangsregeling levensloop verruimen. Deze aanvullende afspraken zijn nog niet verwerkt in het Belastingplan 2012, maar dat gaat wel nog gebeuren. De verruiming van de overgangsregeling hebben wij wel al voor u uitgewerkt, waardoor onze informatie mogelijk afwijkt van informatie die u elders kunt lezen.
 

Wij zulen er alles aan doen om u via onze website op de hoogte te houden van de meest recente ontwikkelingen betreffende de levensloopregeling, spaarloonregeling en vitaliteitsregeling.

 

De actieve leden van de UNIENFTO hebben deze week een brief ontvangen over hun bijdrage vakbondscontributie. Deze brief kunt u inleveren op uw administratie van uw instelling, waardoor uw vakbondscontributie verrekend wordt met uw eindejaarsuikering. Dat kan u dus tot zo'n 52% van uw betaalde contributie opleveren.

 

De kabinetsvoorstellen voor 2012 en de jaren erna wijzen volgens de MHP op een nivelleringsoperatie. Doorrekening van de koopkrachteffecten door de MHP hebben dit ook aangetoond (zie www.vakcentralemhp.nl). Ook werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes gaf recent nog in een interview in het Financieel Dagblad toe dat er sprake is van nivellering onder dit kabinet, maar dat hij dit vanwege de economische situatie en stabiliteit van het kabinet door de vingers wil zien. Inmiddels heeft de FNV haar looneis voor het komend cao-seizoen bekendgemaakt. Naast een contractloonstijging vraagt de FNV ook een bedrag van € 300 voor iedereen, ter compensatie van de bezuinigingen door de overheid. Ook dit betekent een nivellering, maar dan via de cao-tafel. 

“Zowel centraal als decentraal zien we dus vele voornemens die ten koste gaan van de middeninkomens”, aldus MHP-bestuurder Eddy Haket. Hij constateert dat de oorspronkelijke reden voor de oprichting van de MHP weer volop in beeld komt. “De slogan van destijds ‘Geen centen, maar procenten’ is weer hoogst actueel”, aldus Haket. “Het zou mooi zijn als alle bij de MHP aangesloten organisaties deze slogan weer oppakken en gezamenlijk weer voor de middeninkomens opkomen in het centrale en decentrale overleg.”

 

UITNODIGING

Bijeenkomst BVE-personeel

Voor wie?    personeel werkzaam in de BVE-sector

Waar?          UNIENFTO-kantoor, Boschweg 6 te Culemborg

Wanneer?    woensdag 12 oktober a.s.

Hoe laat?     vanaf 14.00 uur (tot ongeveer 16.00 uur)

Onderwerpen:    

  1. functioneren Ondernemingsraad;
  2. ontwikkelingen CAO-BVE;
  3. alles wat u verder aandraagt.

U kunt doorgeven dat u aanwezig bent via een mailtje aan Jan van den Dries, secretaris UNIENFTO: jvandendries@planet.nl

Bestuur UNIENFTO

 

"De MHP is zwaar teleurgesteld dat de FNV blijkbaar tot op het bot verdeeld is over de uitwerking van het Pensioenakkoord”, aldus de MHP-duovoorzitters Reginald Visser en Bob van der Wal.

Het uit de onderhandelingen stappen door Bondgenoten en AbvaKabo zet veel op het spel. Minister Kamp dreigt nu vrij baan te hebben om harde bezuinigingen door te voeren in de AOW en de aanvullende pensioenen. Daardoor ontstaat een forse versobering van de oudedagsvoorziening voor alle generaties en alle inkomenscategorieën.

“De MHP doet een oproep aan alle betrokken partijen de dialoog voort te zetten en oplossingen te zoeken”, aldus Van der Wal.

Daarbij is de inzet van de MHP:
-    Eerlijke risicodeling tussen generaties en tussen werkgevers en werkgevers.

-    Een gedegen overgangsregeling voor de levensloopregeling.
-    Geen woorden maar daden in flankerend ouderenbeleid.
-    Middeninkomens niet extra en onevenredig treffen (geen nivellerend inkomensbeleid

 

Op 8 september jl. is de Ledenraad van de MHP in meerderheid akkoord gegaan met het Pensioenakkoord dat op 10 juni jl. in de Stichting van de Arbeid tot stand is gekomen. “Het was een levendige en betrokken discussie, hetgeen uiteindelijk heeft geleid tot een positief besluit. De MHP ziet nog wel mogelijkheden om oplossingen te zoeken voor knelpunten. Daarbij heeft de MHP er vertrouwen in dat sociale partners en het kabinet de wil hebben hier gezamenlijk uit te komen”, aldus MHP-duovoorzitter Bob van der Wal.

 Het gaat volgens de Ledenraad van de MHP om de volgende punten:

-       een risicodeling tussen werknemers en werkgevers bij forse tekorten van pensioenfondsen;

-       een eerlijke verdeling van de baten en lasten van pensioenen tussen deelnemers van alle generaties;

-       er dient een ordentelijke overgangsregeling te komen voor degenen die nu in de levensloopregeling deelnemen ten behoeve van het zogenaamde ‘functioneel leeftijdsontslag’;

-       er moet snel werk gemaakt worden van het flankerend arbeidsmarktbeleid door alle betrokken partijen. Het moet niet bij mooie woorden blijven.

 

Bij alle verdere uitwerkingen stelt de Ledenraad wel de voorwaarde dat de middeninkomens niet extra onevenredig getroffen worden.

 “De MHP heeft tot op heden nog geen beter alternatief voor het Pensioenakkoord gezien. De komende tijd zullen er echter nog veel zaken verder uitgewerkt en geconcretiseerd moeten worden. Daarom is het voor de MHP van belang dat deze punten expliciet aan de orde komen. Het uiteindelijke doel is om een goed pensioen voor alle generaties te blijven waarborgen”, aldus Van der Wal.

Het was al aangekondigd in het regeerakkoord van het kabinet Rutte: de spaarloonregeling zal plaatsmaken voor een vitaliteitsregeling. Wat houdt de nieuwe regeling precies in? Het kabinet lichtte onlangs een tipje van de sluier op.

Bij de spaarloonregeling wordt door de werkgever op het brutoloon van de werknemer een spaarbedrag ingehouden, dat wordt gestort op een geblokkeerde spaarrekening. Dit spaarbedrag noemen we spaarloon.

In het regeerakkoord stond al dat de spaarloonregeling zal opgaan in de vitaliteitsregeling. De nieuwe regeling is vooral op arbeid gericht en ondersteunt in zorgtaken, het volgen van scholing, het opzetten van een eigen bedrijf, demotie of deeltijdpensioen. De regeling kan niet worden gebruikt voor vervroegd uitreden.

Participatie

Het kabinet vindt de nieuwe regeling noodzakelijk om dreigende tekorten op de arbeidsmarkt te beperken en het sociale stelsel betaalbaar te houden. Daarvoor zullen de gelden die nu worden gebruikt voor de levensloop- en spaarloonregeling worden ingezet ter bevordering van de participatie van ouderen en een nieuwe spaarregeling.

 

Hoewel de precieze invulling van de vitaliteitsregeling pas op Prinsjesdag wordt bekendgemaakt, heeft het kabinet onlangs een tipje van de sluier opgelicht. De belangrijkste maatregelen op een rij:

 

  • Bedrijven krijgen een mobiliteitsbonus voor het in dienst nemen van een 55-plusser; de bonus wordt verhoogd als iemand uit een uitkering komt.
  • De huidige financiële prikkels voor ouderen om langer door te werken (ouderenkorting en doorwerkbonus) worden omgezet in één werkbonus voor 62-plussers om juist hén te stimuleren langer door te werken.
  • Werknemers komen eerder in aanmerking voor aftrek voor scholingsuitgaven; de fiscale drempel gaat omlaag.
  • Het kabinet wil dat de scholing vanuit sectorale scholingsfondsen (O&O-fondsen) wordt verbreed naar andere sectoren. Het kabinet is bereid daar extra geld voor uit te trekken.
  • Sociale partners en scholingsfondsen krijgen de mogelijkheid gebruik te maken van de Europese subsidieregeling ESF om duurzame inzetbaarheid te bevorderen.
  • Er komt een nieuwe spaarregeling waarmee deelnemers een financiële buffer kunnen opbouwen. Tot nu toe werd het spaargeld in de huidige levensloopregeling vooral gebruikt om eerder te stoppen met werken, maar het kabinet vindt dat niet langer wenselijk. De nieuwe spaarregeling kan onder andere ingezet worden om de overgang naar een andere baan zo soepel mogelijk te laten verlopen. Het kabinet komt met een overgangsregeling voor de bestaande levensloopregeling.
  • Het kabinet wil dat sociale partners afspraken maken over een 'van-werk-naar-werk-budget' voor werknemers. Dit helpt werknemers die met ontslag bedreigd worden om via scholing een nieuwe baan te vinden. Het budget zou binnen sectoren gezamenlijk gefinancierd worden en in cao's vastgelegd moeten worden. Het kabinet realiseert zich dat dit een extra inzet, ook financieel, van de sociale partners vraagt en is bereid hen daarin tegemoet te komen. Het komende jaar wil het kabinet hierover afspraken maken met de sociale partners.

 

Bron: SZW

 Vlak voor de zomervakantie stuurde staatssecretaris van OCW, Halbe Zijlstra, nog gauw even een brief naar de sociale partners in onderwijsland over de BAPO.

 In de brief roept hij vakbonden en werkgeversorganisaties op de BAPO en andere ouderenregelingen af te bouwen! De brief is eigenlijk een vervolg op de motie van Kamerlid Ton Elias in april jl.

 De UNIENFTO betreurt de houding van de staatssecretaris zeer. De BAPO en andere ouderenregelingen hebben namelijk de afgelopen jaren duidelijk hun nut bewezen. Veel mensen hebben door er gebruik van te maken op een gezonde en gemakkelijkere wijze hun AOW-leeftijd kunnen halen.

Juist in deze tijd, waarin pensioenen ter discussie staan en waarin mensen het vooruitzicht hebben dat ze nog langer moeten werken dan voorheen, is het noodzakelijk dat er regelingen blijven voor ouderen die taakverlichtend en werkdrukverzachtend werken.

De UNIENFTO zal er na de zomervakantie dan ook voor blijven strijden aan de cao-tafels dat regelingen als de BAPO, in welke vorm dan ook, behouden blijven. Juist nu is het van belang dat er goede arbeidsvoorwaarden gecreëerd worden om mensen op verantwoorde wijze te laten blijven werken op weg naar hun AOW.

Klik HIER voor de brief van staatssecretaris Zijlstra!

 

De besturen van de CMHF-verenigingen zullen voor 18 juli hun standpunt over het Pensioenakkoord bepalen en vervolgens zal de CMHF de uitslag van de raadpleging van de aangesloten verenigingen op 21 juli inbrengen bij de Vakcentrale MHP.
Leden van de UNIENFTO kunnen hun eventuele reactie tot 12 juli kenbaar maken aan de voorzitter Wilfred Muis, w.muis@planet.nl

Medio juni 2010 heeft de CMHF, na intensieve consultatie in MHP-verband, ingestemd met het Pensioenakkoord van 4 juni. De Stichting van de Arbeid heeft de kritische noten van de MHP overgenomen. “De politiek mag niet in het Pensioenakkoord gaan shoppen. Bovendien dient ook de overheid in zijn rol als werkgever zich te houden aan het Pensioenakkoord.”

Na een jaar overleg op alle niveaus is op 10 juni 2011 het akkoord uitgewerkt in een Uitwerkingsmemorandum Pensioenakkoord en Beleidsagenda 2020: investeren in participatie en inzetbaarheid. De Beleidsadviescommissie van de CMHF (BAC) is overwegend positief over de uitwerking van het akkoord als belangrijk stap in een voortgaand proces.

In de uitwerking van het akkoord hebben sociale partners tot taak een eigen afweging te maken tussen zekerheid en pensioenambitie bij de bedrijfstak- en ondernemings­pensioenfondsen. In het akkoord van 10 juni lag te keuze tussen de nominale garantie en de reële ambitie nadrukkelijk voor. In de uitwerking wordt de BAC-voorkeur voor een reëel voorwaardelijk contract gedeeld. De BAC legt graag de focus in het nieuwe pensioencontract op het nastreven van een geïndexeerd, loongerelateerd pensioendoel.

Door de aanvaarding van reële voorwaardelijke en dus aanpasbare aanspraken kan het pensioencontract op belangrijk punten worden verbeterd. De pensioenleeftijd kan meebewegen met de levensverwachting, premies blijven stabiel. De huidige ‘risicovrije’ nominale rente kan worden vervangen door een stabiele discontovoet. De indexatieambitie wordt verwerkt in zowel in de premies als reserves, in overeenstemming met de gekozen risicosamenstelling van de beleggingen. De reële dekkingsgraad geeft een duidelijker beeld van het totaal beoogde pensioenresultaat en wordt door de stabiele rentevoet minder volatiel.

De BAC ondersteunt de aanbeveling voor reële voorwaardelijke pensioenen met inachtneming van de nadruk dat het akkoord op communicatie legt. De CMHF communiceert  als enige vakcentrale dat pensioen grotendeels afhankelijk is en blijft van rendement.  Marktrisico’s zijn bij alle financiële partijen en producten aanwezig. Pensioenrisico’s zijn namelijk niet nieuw, en worden niet groter door dit akkoord. Nieuw is dat deelnemers meer inzicht krijgen in de kansen op meevallers en tegenvallers. Daarom is de BAC voorstander van completere pensioenvoorlichting, die meer dan nu transparant is over de verhouding van rendement, risico, resultaat en prijs. Met name de wijze waarop zekerheid wordt geborgd en risico’s worden begrensd in nieuwe pensioencontracten moet duidelijker. Niet door nominale garanties maar via prudentie, beleggingsbeleid, trendmatigheid en heldere spelregels. Decentrale CAO-partners zullen een nog grotere verantwoordelijkheid dragen bij de bewaking van de balans tussen zekerheid en ambitie in het pensioencontract.
 

Er is alle reden om alert te blijven tijdens de vervolguitwerking en implementatie van het akkoord. Er zal druk op bestuurders komen om afspraken te maken over aanpassingen in de huidige pensioencontracten terwijl de verkenning van een juiste balans tussen ambitie en zekerheid bij elk pensioenfonds nog moet beginnen. De aanpassingen in Pensioenwet en FTK zijn nog niet uitgewerkt en pas in de loop van 2012 zal uit een drietal nadere onderzoeken blijken of het mogelijk zal zijn om bestaande en nieuwe rechten samen te houden. Ook zal er druk komen om weer zo snel mogelijk te indexeren ten koste van het opbouwen van nieuwe (egalisatie)reserves. En vroeg of laat om premies ondanks afspraken te laten dalen ten faveure van loonruimte. Het zal kracht en coördinatie vragen om de druk en verleiding te weerstaan. Doorgaan met dit akkoord betekent een blijvende rol voor sociale partners in pensioenfondsen, in het belang van alle deelnemers en gepensioneerden. De CMHF en MHP hebben voldoende zelfvertrouwen om deze uitdagingen aan te gaan.  

De opgelopen vertraging in de onderhandelingen is nodig geweest om het voorliggende resultaat te behalen. De CMHF realiseert zich dat de vertraging voor onrust en toenemende onzekerheid heeft gezorgd. Criticasters hebben kans gezien veel vanuit de zijlijn te schieten zonder wezenlijke alternatieven of verbeteringen aan te dragen. Ook nu de uitwerking openbaar is zal de kritiek aanhouden, met als gevaar de winstpunten uit het akkoord te verspelen. Wij noemen er een aantal:

  • Sociale partners hebben lange termijn afspraken met de overheid afgedwongen.
  • Lange termijn samenhang tussen AOW en aanvullende pensioenen.
  • De kernwaarden van het pensioenstelsel worden behouden. 
  • De AOW-leeftijd gaat pas in 2020 naar 66. Gepensioneerden en mensen die voor 2020 met AOW gaan worden ontzien.
  • Hogere AOW met vaste extra verhoging van 0,6% vanaf 2013 tot 2028.
  • Flexibele AOW vanaf 2020 met actuariële, inkomensonafhankelijke verlaging van 6,5% (levenslang) bij ingang op 65 resp. verhoging met ingang op 67.
  • Behoud fiscale kader – geen verlaging opbouwpercentages tot 2%.
  • Reëel voorwaardelijk contract betekent dat de financiering van indexatie duidelijk in beeld komt.
  • Het combicontract met een lager, nominaal ‘zeker’ deel wordt niet opgelegd als norm. 
  • Pensioenpremies mogen niet omlaag. Huidig premieniveau is kostendekkend vastgesteld op lage rentestanden.
  • Spilleeftijd gaat naar 66, in het aanvullend pensioen in 2012, maar AOW-leeftijd blijft tot 2020 op 65. Hogere spilleeftijd in het aanvullend pensioen betekent 6-8 maanden langer doorwerken voor een gelijkblijvend pensioenresultaat. 
  • Per saldo kan de verhoging van de spilleeftijd kostenbesparend zijn voor pensioenfondsen waardoor de premie lager zou kunnen. Premievrijval blijft bij de deelnemers.
  • Mobiliteitsbonus wordt geïntroduceerd. Vitaliteitregeling kan voor deeltijdpensioen en mogelijk voor vroegpensioen worden gebruikt.
  • Maatwerk mogelijk voor sociale partners om opties voor ‘zware beroepen’ samen te stellen.
  • Tot 2020 kunnen oudere werklozen blijven instromen in de IOW, een bijstandsvoorziening zonder partner- en vermogenstoets voor oudere werklozen.  
  • Sectorale afspraken rond vroegpensioen worden gerespecteerd.
  • Overheidswerkgevers zijn aan het akkoord gebonden.

 

Dankzij de vaardigheden en deskundigheid van krachten verenigd in de MHP zijn de voor de CMHF belangrijkste punten gewaarborgd en inkomensafhankelijke elementen verworpen.

De BAC legt het akkoord met een positief advies voor aan het bestuur, maar het bestuur heeft zich hier nog niet over kunnen uitspreken *.  Het Kabinet is nog net niet gaan shoppen in het akkoord en overheidswerkgevers zijn via de Stichting gecommitteerd. Met uw instemming kunnen de CMHF en de MHP uw belangen in het vizier houden.  

*  Het Centraal Bestuur heeft in haar vergadering van 28 juni jl. het advies van de BAC overgenomen. Het CB realiseert zich dat niet aan alle wensen is voldaan maar dat dit resultaat voldoende positieve elementen in zich heeft, zoals reeds eerder vermeld.

Voor de brief van de vakcentrales aan de politiek inzake de uitwerking van het pensioenakkoord,lees verder ...........

Leden van deUNIENFTO kunnen hun eventuele reacties vóór 12 juli a.s.sturen naar de voorzitter, de heer W. Muis, w.muis@planet.nl

De MHP organiseert regionale informatieve bijeenkomsten over het pensioenakkoord in Culemborg, Akersloot, Dordrecht, Weert, Schiphol en Zwolle

op de volgende dagen:

zaterdag 18 juni, 10.30 uur (landelijke bijeenkomst)
De Unie, Multatulilaan 12, 4103 NM Culemborg

maandag 27 juni, 20.00 uur
Van der Valk Hotel Akersloot, Geesterweg 1a, 1921 NV Akersloot

dinsdag 28 juni, 20.00 uur
Postillion Hotel Dordrecht, Rijksstraatweg 30, 3316 EH Dordrecht

woensdag 29 juni, 20.00 uur
‘t Blaakven, Geuzendijk 35, 6002 TA Weert

vrijdag 1 juli, 17.00 uur
Wings, Food & Drinks, Stationsplein-ZW 602, 1117 CN Schiphol

maandag 4 juli, 20.00 uur
Restaurant Van der Valk Zwolle, Kranenburgweg 10, 8024 AC Zwolle
 
Aanmelden
Indien u van plan bent naar één van deze bijeenkomsten te komen, dan verzoeken wij u dit te melden via info@vc-mhp.nl of centrale@cmhf.nl.
onder vermelding van uw naam, uw vakvereniging en welke bijeenkomst u wilt bijwonen.
Wij kunnen hier dan rekening mee houden in verband met de grootte van de zaal en de catering.
Onze leden zijn van harte welkom.

 

voor 50-plussers (en jongere geïnteresseerden)

 

Bent u lid van de UNIENFTO of een van de verenigingen van de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP?

En 50-plusser (of jongere geïnteresseerde)? Dan opgelet!

 

Pensioenenland is in beweging.

Weet u eigenlijk hoe het zit met uw toekomstige financiële situatie?

Bestudeert u regelmatig uw pensioenoverzicht?

Is dat u duidelijk? Of heeft u nog  er nog vragen over?

 

Kom voor informatie over het ABP-pensioen naar onze cursus op:

 

woensdag 14 september 2011!

 

De volgende onderwerpen komen aan de orde, deels ingevuld op basis van de actualiteit:

 

  • Het pensioenakkoord
  • Wat houdt dat voor u in wanneer u van ná 1949 bent?
  • Een toelichting op uw overzicht.
  • Uw vragen

 

Aanmelden via info@federatie-onderwijsbonden.nlonder vermelding van

 

naam-adres-postcode-woonplaats-vakvereniging-geboortedatum (lidmaatschapnummer?)

 

(de bijeenkomst is gratis en alleen toegankelijk voor leden)

 

De cursus vindt van 18.00 tot 20.00 uur plaats in:

Hogeschool Domstad

Koningsbergerstraat 9  

3531 AJ Utrecht

030 - 2927700  

 

 

 De nieuwe CAO voor het voortgezet onderwijs (CAO-VO) is behalve door de VO-raad alleen ondertekend door de bonden CNV Onderwijs en de CMHF, de centrale waarvan de NIENFTO ook deel uitmaakt. ABVAKABO FNV en AOb, de bonden vallend onder de ACOP, stemden niet in met het bereikte onderhandelaarsakkoord. Sandra Roelofsen en Jilles Veenstra, onderhandelaars namens de CMHF, leggen hieronder uit waarom zij wel hebben ingestemd met de CAO VO die loopt tot 1 augustus 2012.

Op basis van de ledenraadpleging van de verenigingen die aangesloten zijn bij de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP heeft de Federatie  op 23 mei jl. aangegeven te kunnen instemmen met het onderhandelaarsakkoord. Dit geldt ook voor CNV-O. De AOb/ABVAKABO FNV heeft alsnog het bereikte akkoord afgewezen. Uiteraard betreuren we dit als onderhandelaars. Daardoor zal de cao dus ondertekend worden door CNV-O, de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP  en de VO-raad. De nieuwe CAO-VO 2011-2012 zal door de werkgevers in het voortgezet onderwijs overigens toegepast worden op alle werknemers in de sector: daarvoor is het niet nodig dat alle bonden tekenen.

Een akkoord met weinig plussen

Duidelijk is dat ook de leden van de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP-verenigingen niet allemaal positief waren, de reacties liepen uiteen van zeer strijdbaar (‘massaal staken tijdens de examens’) tot ‘het is goed dat er een cao komt, ik snap dat er op dit moment weinig te halen valt’.  Uiteindelijk heeft 55% van de leden van onze verenigingen ingestemd met het bereikte akkoord.

Deze cao is het resultaat van anderhalf jaar onderhandelen met op de achtergrond een economische crisis en een nullijn van het kabinet. De speelruimte voor de loonruimte was daardoor zeer klein. Een loonstijging zou alleen kunnen worden bereikt door daar andere arbeidsvoorwaarden voor in te ruilen. Daarbij moet dan gedacht worden aan bijvoorbeeld de kleine BAPO dan wel het trekkingsrecht (en die kenden al de mogelijkheid van uitbetaling). Duidelijk is ook uit de berichten van de leden dat op dit moment op de scholen ook alle eindjes aan elkaar moeten worden geknoopt om de bezuinigingen van de overheid op te vangen.

Het kleine beetje ruimte dat er was is vervolgens naar het OOP gegaan in de vorm van een ophoging van de eindejaarsuitkering. Daar waar de leraren in de afgelopen jaren allen op basis van het Actieplan LeerKracht erop vooruit gegaan zijn, bleef het OOP achter.

Werkdruk

Dit onderwerp heeft ons nog het langst beziggehouden. Op basis van een enquête (met een teleurstellende respons van 19,3%!) over de wijze waarop men de werkdruk geregeld zou willen zien, hebben we lang het gesprek gevoerd over het in de cao regelen van de maximum lestaak. Op cao-niveau ontbreken echter de mogelijkheden om het taakbeleid op schoolniveau volledig dicht te regelen (deskundigheidsbevordering, opslag voor- en nawerk, maximum lestaak per week en de klassengrootte) vanwege de grote onderlinge verschillen.

Er bleef in de opties die op tafel kwamen naar ons oordeel te veel ruimte voor de werkgevers om de verlaging van de lestaak elders in het taakbeleid met werkdrukverhogende maatregelen teniet te doen. Te meer daar het vastleggen van de lestaak in de cao voor de werkgevers onlosmakelijk was verbonden met het schrappen van de tweederde-voorwaarde bij wijziging van het systeem van taakbeleid.

Bovendien wordt de werkdruk door iedereen anders ervaren, voor de een zit dat met name in de lestaak terwijl het voor de ander juist weer in de overige taken zit. Vandaar dat we ervoor hebben gekozen om op dit punt de status quo te handhaven: we veranderen niets aan de huidige cao-tekst. In de nabije toekomst zal op de scholen in ieder geval door de plannen van de minister sprake zijn van ten minste 38 lesweken. Het is onze stellige overtuiging dat de spreiding van de lestaak over 38 weken zal moeten leiden tot een aanpassing van het maximum aantal lessen per week (750 uur over 38 weken geeft met inzet van het trekkingsrecht maximaal 23(,2) lessen per week)!

Leeftijdsfasebewust personeelsbeleid

Uit de inzetten van de werkgevers van de laatste jaren moge het duidelijk zijn: men wil de aanval openen op de BAPO. Deze aanval is met dit akkoord in ieder geval voor het komende jaar afgeslagen. Wel zijn we overeengekomen om een onderzoek te doen naar de feiten rondom deze regeling en de mogelijkheden om te komen tot een regeling waarbij werknemers in alle levensfases aanspraak op verlof kunnen maken. Is het probleem voor wat betreft de betaalbaarheid wel zo groot? Is het niet juist een middel dat bij het langer moeten doorwerken van het personeel van belang zal zijn? Hoe zou een nieuwe regeling eruit kunnen zien? Vragen waar we in de komende tijd onderzoek naar zullen doen. Daarmee is dus nog niet gezegd dat daarmee de BAPO van de baan is.

De vakantie

Het wetsvoorstel spreekt van een vermindering van de zomervakantie van zeven naar zes weken en vijf roostervrije dagen voor de leerlingen. De keuze voor de invulling van deze dagen is aan de PMR. Om te voorkomen dat overal op schoolniveau de kastanjes uit het vuur zouden moeten worden gehaald en grote verschillen ontstaan, hebben we bij cao geregeld dat het hier ook om vijf vrije dagen voor de docenten gaat. Voor sommigen was dat echt niet genoeg, maar doordat dit bij wet zal worden geregeld (en wij nu eenmaal niet de wetten kunnen veranderen in de cao)  was dit wat binnen onze mogelijkheden lag. Overigens gaan deze roostervrije dagen pas in het schooljaar 2012/2013 in, maar hiermee hebben we in ieder geval een duidelijk signaal afgegeven!

Ten slotte

Naast deze hoofdpunten kent het akkoord ook nog maatregelen om de onbevoegdheid te bestrijden en een aantal kleinere onderwerpen zoals de BHV-toelage, het meenemen van de bindingstoelage bij het inschalen in een hogere functie en wat technische punten.

De onderhandelaars van de Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP, Sandra Roelofsen en Jilles Veenstra, zijn alles overziend van mening dat het toch goed is dat het VO weer een cao heeft waardoor de rechten van de werknemers na een cao-loze periode weer geborgd zijn.                                              

 

Net op de dag dat de deadline voor de kopij van dit blad gepland was, namelijk op 10 juni jl., bereikten minister Kamp, de vakbonden en de werkgeversorganisaties een akkoord over de toekomst van onze pensioenen: het zogeheten Pensioenakkoord was een feit. Hieronder treft u de visie daarover aan van Eddy Haket, bestuurder van de Vakcentrale MHP, waartoe ook de UNIENFTObehoort via het lidmaatschap van de CMHF.

U krijgt ook antwoorden op de tien meest gestelde vragen over het Pensioenakkoord.

"Winstpunt van het Pensioenakkoord is dat politiek Den Haag het niet zomaar in de la kan opbergen. Anderzijds kan het kabinet nu stoppen met zijn onheilspellende plannen en rigoureuze ingrepen betreffende AOW en aanvullende pensioenen. Werknemers en werkgevers weten met dit Pensioenakkoord daardoor een groter onheil van ons af te houden, te weten de kabinetsplannen vanuit het regeerakkoord", aldus MHP-bestuurder Eddy Haket over het Pensioenakkoord tussen werknemers en werkgevers in de Stichting van de Arbeid.

Haket doelt met het onheil op: het wèl verhogen van de AOW-leeftijd, maar zonder de AOW te koppelen aan de verdiende loonontwikkeling en zonder een flankerend ouderen- en arbeidsmarktbeleid om langer doorwerken mogelijk te maken. Ook de forse beperking van de mogelijkheden om aanvullend pensioen op te bouwen is één van de onderdelen van een wetsvoorstel van het kabinet, dat al in de Tweede Kamer ligt.

Dit pensioenakkoord zorgt ervoor, dat het internationaal alom geprezen Nederlandse pensioenstelsel ook in de toekomst kan worden behouden. Evenzeer is van belang dat wij afspraken hebben gemaakt om werknemers in staat te stellen nog op latere leeftijd te kunnen blijven doorwerken”, aldus Haket.

Er zitten volgens Haket naast goede afspraken ook minder gelukkige punten in het akkoord, zoals het feit dat er geen harde afspraken in staan over een bruidsschat van werkgevers, als de positie van een pensioenfonds bij de overgang naar de nieuwe regeling niet al te rooskleurig is. Dat wordt nu overgelaten aan decentrale partijen. Ook zullen werkgevers en vakbonden bij onvoorziene omstandigheden nadere afspraken moeten maken over aanpassingen in het pensioen en de daarbij behorende premie. “Als MHP hadden we hierover liever harde afspraken gemaakt op centraal niveau”, aldus Haket.

Volgens Haket heeft het zo lang geduurd, omdat er grote belangen op het spel staan. De pensioenpot van € 800 miljard en hoge werkloosheid onder oudere werknemers vergen volgens de MHP zorgvuldige afspraken. “Zowel juridische aspecten als beleidsmatige discussies bij alle betrokken partijen hebben ertoe geleid dat de uitwerking van het akkoord langer heeft geduurd, dan we vorig jaar nog veronderstelden. Maar het gaat om het resultaat, waarbij het onder andere gelukt is voor de MHP-achterban zeker te stellen dat er geen inkomenspolitiek bedreven zal worden via de aanvullende pensioenen en de AOW.”

De MHP-bonden zullen nu hun leden raadplegen en volgens verwachting begin juli daarmee klaar zijn. De MHP heeft van meet af aan “ja, mits” als standpunt gehuldigd en zal het onderhandelingsresultaat nu aan de achterban voorleggen. Alle partijen zien de noodzaak van dit akkoord in, omdat niet alleen ons huidige pensioenstelsel door onder andere de versnelde stijging van de levensverwachting onder druk staat, maar ook omdat wij oudere werknemers in de toekomst hard nodig hebben om al te grote tekorten op de arbeidsmarkt te voorkomen.

De 10 meest gestelde vragen over het Pensioenakkoord

1. Wat is de betekenis van het Pensioenakkoord?

Nederland heeft een goed pensioenstelsel; het beste ter wereld wordt internationaal gezegd. En dat willen wij graag zo houden. Ons stelsel biedt veel zekerheid, maar er zijn ook risico’s. De gevolgen van de recente financiële crisis maakten dit voor iedereen duidelijk. Het pensioenakkoord zorgt ervoor dat het stelsel beter omgaat met schokken op de financiële markten en met het feit, dat we gemiddeld steeds ouder worden. Hier hield het oude stelsel te weinig rekening mee. We worden in Nederland sneller dan verwacht, steeds ouder en dus gaan we langer met pensioen (en AOW). We willen onze pensioenen voor jong en oud ook voor de toekomst in stand houden. We moeten dan wel langer doorwerken, omdat we tegelijkertijd langer leven.

2. Waarom gaat de pensioenleeftijd omhoog?

Het blijkt dat we steeds langer leven en dat de levensverwachting vanaf 65 jaar blijft stijgen. Hierdoor hebben we, toen we premie betaalden voor het pensioen, eigenlijk te weinig geld ingelegd in de pensioenpot. Dit kon lange tijd worden opgevangen door de pensioenpremies te verhogen en hogere rendementen te behalen op het pensioenvermogen.

De voorspellingen over de toekomstige levensverwachting blijken achteraf gezien te laag te zijn geweest. De stijging van de levensverwachting zet nog door. We hebben dus te maken met een deels onbetaalde rekening vanuit het verleden. Om de effecten van oplopende levensverwachting in de toekomst te voorkomen, is er nu voor gekozen om de stijgende levensverwachting te neutraliseren in de premie. Dat wil zeggen dat de premie niet verder stijgt, maar de gemiddelde rekenleeftijd, waarmee iemand met pensioen kan gaan, wordt verhoogd volgens de verdere stijging van de levensverwachting. Daarmee voorkomen we dat de hoogte van de pensioenuitkering lager wordt.

3. Is het waar dat de pensioenuitkering afhankelijk wordt van beleggingsresultaten?

Het is juist dat de hoogte van het pensioen zal afhangen van de vraag of pensioenfondsen voldoende in kas hebben om aan de verplichtingen te voldoen. Dit noemen we een ‘voorwaardelijke pensioentoezegging’. De pensioenfondsen zullen echter proberen de pensioenuitkering zoveel mogelijk gelijk te houden met een compensatie voor gestegen prijzen (waardevast pensioen) of voor gestegen lonen (welvaartsvast pensioen). In betere tijden zullen ze extra vermogen opbouwen om in slechtere tijden toch de pensioenen op het gewenste niveau te kunnen uitkeren. Er is in het Pensioenakkoord dan ook afgesproken om de pensioenpremies in beginsel niet te verlagen als de beleggingsopbrengsten meevallen. Zouden de pensioenpremies in dat geval namelijk wel worden verlaagd, dan worden er minder reserves (buffers) opgebouwd en zullen de pensioenfondsen in economisch slechtere tijden eerder in de problemen komen en gedwongen worden te korten op de opgebouwde pensioenen.

4. Is het pensioen tot nog toe wel gegarandeerd?

Tot nog toe is de pensioentoezegging normaal gesproken gegarandeerd voor een vast bedrag dat men heeft opgebouwd. Wij noemen dit ‘nominale rechten’. De compensatie voor prijsstijgingen (jaarlijkse indexering) is voorwaardelijk, dus niet gegarandeerd. Deze is altijd gefinancierd uit hogere beleggingsopbrengsten en hogere premies. Vooral de beleggingsopbrengsten stonden de afgelopen jaren onder druk, waardoor pensioenfondsen niet mochten indexeren. Als het vermogen van pensioenfondsen niet meer de nominale verplichtingen in de toekomst kan garanderen, moeten de pensioenfondsen volgens de huidige wetgeving korten op de pensioenuitkeringen (‘afstempelen’). Dat is bij een paar pensioenfondsen gebeurd. De pensioenen zijn dus ook nu niet honderd procent gegarandeerd. Dat is in ieder geval zo bij het waardevast houden van de pensioenen. Als de pensioenen bijvoorbeeld twintig jaar niet worden geïndexeerd (dat wil zeggen dat pensioenen verhoogd worden om de inflatie bij te kunnen houden), halveert de koopkracht van de pensioenen en de pensioenopbouw. Zonder indexatie daalt het pensioen in waarde, omdat het levensonderhoud van mensen door inflatie duurder wordt.

Om deze reden pleit de MHP dan ook voor een zogenaamd ‘reëel pensioen’, dat transparant is voor de deelnemer in termen van koopkracht en geldontwaarding.

5. Waarom een ander pensioencontract?

Zoals alle financiële instellingen na de financiële crisis genoodzaakt zijn om meer reserves aan te houden, worden ook pensioenfondsen hiertoe gedwongen, als zij harde (onvoorwaardelijke) toezeggingen willen nakomen. De prijs hiervan is hoog, want hoe zekerder men ervan wil zijn dat er in de toekomst genoeg geld in de pensioenpot zit om aan de pensioenverplichtingen te kunnen voldoen, hoe meer geld er ook daadwerkelijk in de pensioenpot moet blijven. Pensioenfondsen zouden dan nog hogere buffers moeten hebben dan nu al het geval is. Hierdoor, en door het feit dat de pensioenpremies niet meer verder kunnen stijgen, zullen pensioenfondsen de komende jaren nauwelijks nog in staat zijn de pensioenen te indexeren (aanpassen aan inflatie) en is de kans groter dat zij eerder moeten korten op de ingegane pensioenen en opgebouwde rechten. Ook komen er in het geval van harde toezeggingen (‘onvoorwaardelijke pensioenen’) strengere regels voor het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. Ze zullen minder beleggingsrisico mogen lopen en daardoor steeds minder in aandelen mogen beleggen. Dit brengt weliswaar minder risico met zich mee, maar betekent ook dat er op de langere termijn minder rendementen zullen worden behaald door de pensioenfondsen, waardoor er minder geld binnenkomt in de pensioenkassen. Het uiteindelijke pensioen van een persoon wordt momenteel voor meer dan de helft bepaald door het rendement, dat in de loop der jaren behaald wordt op de ingelegde premie.

Als we geen nieuw pensioencontract zouden afsluiten, zou er dus weliswaar meer zekerheid zijn dat de pensioenfondsen wel geld in kas hebben om de opgebouwde pensioenuitkeringen te kunnen betalen, maar is de kans veel groter dat de pensioenuitkeringen aanzienlijk lager uitvallen dan de deelnemers (werknemers) hadden verwacht.

De Stichting van de Arbeid heeft daarom gekozen voor een ander pensioencontract, waarbij het pensioen niet meer gegarandeerd wordt (zogenaamd ‘voorwaardelijk pensioen’). Dit is niet wezenlijk anders dan tot op heden gebeurd is met de pensioenen. De indexering is niet gegarandeerd en in uiterste gevallen moet ook gekort worden op de pensioenuitkeringen (afstempelen). Met een voorwaardelijk pensioen kunnen hogere rendementen worden behaald en hoeven er niet (onnodige) overreserves te worden aangehouden. De kans dat met dit nieuwe pensioencontract weer geïndexeerd kan worden ter compensatie van de inflatie (of de loonstijging) en dat er niet gekort hoeft te worden op de pensioenopbouw en de pensioenuitkeringen, wordt hierdoor realistischer en realiseerbaar.

6. Wat gebeurt er tot 2012 met deopgebouwde pensioenrechten?

Het wordt niet verplicht om de opgebouwde rechten tot 2012 (dus ook die van gepensioneerden) over te hevelen naar een nieuw pensioencontract, dat wil zeggen dat ze ook een voorwaardelijk karakter krijgen. De keuze hiervoor (wel of niet voorwaardelijk maken) wordt in beginsel overgelaten aan het pensioenfondsbestuur. In de komende tijd wordt onderzocht hoe dit het beste juridisch vorm gegeven kan worden. Tot die tijd worden de wettelijke regels rondom het pensioen niet aangescherpt, zoals dit kabinet aanvankelijk van plan was en waardoor de kans op korten op de pensioenen eerder in beeld zou komen.

Hoewel het niet aantrekkelijk lijkt voor de deelnemers om een onvoorwaardelijk (gegarandeerd) pensioen om te zetten in een voorwaardelijk (niet gegarandeerd) pensioen, zal dit meestal wel de meest verstandige keuze zijn. Door de strengere voorwaarden voor een onvoorwaardelijk pensioen, is het onwaarschijnlijk dat de komende jaren geïndexeerd kan worden, waardoor het opgebouwde pensioen steeds minder waard wordt. Bovendien is de kans dat gekort moet worden op gegarandeerde pensioenen, aanzienlijk groter. Alleen als pensioenfondsen over hele hoge buffers beschikken, kan een gegarandeerde toezegging aantrekkelijker zijn.

Overigens kan ook bij voorwaardelijke toezeggingen gekozen worden voor meer zekerheid door een veilige beleggingsmix te kiezen. Hoe lager de ambitie voor de indexering, des te meer kan een pensioenfonds zekerheid bieden. Dat is nu in feite ook al het geval.

7. Mag je eerder of later met pensioen?

Ja, dat mag. Bij de meeste pensioenfondsen is het al mogelijk om het aanvullend pensioen eerder of later te laten ingaan. Als het pensioen eerder wordt opgenomen, wordt het opgebouwde pensioengeld over een langere periode uitgesmeerd en zal dit op jaarbasis leiden tot een lagere pensioenuitkering. Indien een aanvullend pensioen pas later wordt opgenomen, zal het pensioen op jaarbasis hoger zijn. Dat zal ook gaan gelden voor de AOW. Dit noemen we ook wel het basispensioen. Eén jaar eerder laten ingaan van de AOW betekent dat de hoogte van de AOW 6,5% (levenslang) lager uitkomt. Eén jaar later laten ingaan van de AOW betekent echter dat de AOW-uitkering levenslang 6,5%hoger uitkomt. Dit is een individuele keuze.

8. Waarom heeft ook de overheid besloten de AOW-leeftijd te verhogen?

De opgebrachte AOW-premie in enig jaar wordt direct uitgekeerd aan mensen, die AOW ontvangen (we noemen dit een omslagstelsel). Daarnaast wordt nog een gedeelte betaald uit belastingen. Doordat mensen steeds langer leven en steeds meer mensen AOW ontvangen (zogenaamde ‘babyboomers’), stijgen in de komende decennia de totale uitgaven van de AOW aanzienlijk. Tegelijkertijd staan daar steeds minder mensen tegenover, die AOW-premie betalen. Daarom heeft het kabinet Rutte besloten om in 2020 de AOW-leeftijd te verhogen naar 66 jaar.

9. Wat betekent het akkoord voor mijn AOW-uitkering: blijft deze op niveau?

Ja, er is afgesproken met het kabinet dat de AOW jaarlijks in ieder geval tot 2028 met 0,6% extra verhoogd zal worden. Dit om tegemoet te komen aan de wens van sociale partners om de AOW te koppelen aan destijging van de gemiddelde lonen. Tot nog toe werd bij de jaarlijkse verhoging van de AOW-uitkering alleen naar de loonsverhogingen gekeken, die collectief in de cao worden afgesproken. Er wordt daarmee dus geen rekening gehouden met (de gemiddelde trend van) individuele loonsverhogingen, zoals met de opbouw van de aanvullende pensioenen wel het geval is. De jaarlijkse aanpassing (indexering) van de AOW komt daardoor iets hoger te liggen. Daar staat wel tegenover dat in de komende jaren de aparte maandelijkse AOW-tegemoetkoming (ongeveer 33 euro bruto per maand) en vervolgens een deel van de algemene inkomensafhankelijke ouderenkorting langzaam worden afgebouwd. Als we dit tegen elkaar afwegen, zal per saldo de maandelijkse AOW-uitkering niet lager worden.

10. Kunnen mensen wel langer doorwerken?

Op dit moment hebben oudere werknemers een zeer geringe kans om aan het werk te komen, als ze eenmaal werkloos zijn. Om een beeld te geven: slechts 2% van de nieuwe vacatures wordt vervuld door personen van 55 jaar en ouder. Een verhoging van de pensioenleeftijd betekent dan in feite dat deze personen nog langer werkloos blijven en langer van een uitkering moeten zien rond te komen.

De Stichting van de Arbeid, het centrale overlegorgaan van werknemers- en werkgeversorganisaties, vindt dit onaanvaardbaar en heeft daarom de laatste maanden gewerkt aan een aantal plannen om de kansen op een baan voor oudere werknemers en werkzoekenden te vergroten. Er is onder andere afgesproken dat er een campagne zal worden begonnen, waarin alle onterechte vooroordelen over oudere werknemers worden bestreden. Een van de belangrijkste afspraken is dat werkgevers uitdrukkelijker ook oudere werknemers gaan uitnodigen voor een sollicitatiegesprek. Bovendien zullen zij bij het aannamebeleid kijken naar de leeftijdssamenstelling van het personeel, waardoor oudere werknemers een gelijke kans krijgen om aangenomen te worden. Belangrijk is ook dat werkgevers oudere werknemers niet zomaar (meer) zullen ontslaan, maar helpen met het vinden van een andere functie binnen of buiten het bedrijf (van werk naar werk helpen). Om werkgevers eerder over de streep te trekken om een oudere werkzoekende in dienst te nemen, worden voor werkgevers bepaalde financiële risico’s weggenomen, als deze zich voordoen (bijvoorbeeld het risico op langdurige ziekte). Er zijn nog veel meer afspraken gemaakt, die uiteindelijk allemaal ertoe moeten leiden dat de arbeidsparticipatie en de kans op een baan over tien jaar (als de AOW-leeftijd verhoogd wordt) voor oudere werknemers niet afwijken van die van jongere werknemers.

Redactie

*        Voor alle achtergrondinformatie verwijzen wij u graag naar de website van onze vakcentrale: www.vakcentralemhp.nl.

 

 

 Minister Kamp heeft op 11 mei jl., ondanks een kritisch advies van de Raad van State, het wetsvoorstel ‘Verhoging pensioenleeftijd naar 66 jaar’ bij de Tweede Kamer ingediend. Het wetsvoorstel vervangt een eerder wetsvoorstel van de vorige minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), minister Donner. Het wetsvoorstel heeft tot doel de leeftijd waarop men recht krijgt op een AOW-uitkering te verhogen van 65 jaar naar 66 jaar. De MHP ziet de leeftijdsverhoging van de AOW als een politieke realiteit, onder meer als gevolg van de vergrijzing en het langer leven van mensen. De MHP mist echter in het wetsvoorstel een essentieel onderdeel: flankerend beleid om mensen daadwerkelijk in staat te stellen langer te kunnen doorwerken.

Naast ingrepen in de AOW, wordt in het wetsvoorstel ook de fiscale facilitering van de aanvullende pensioenen (collectief sparen voor pensioen) gewijzigd. Belangrijkste onderdeel daarbij is dat de jaarlijkse opbouwpercentages voor het pensioen per 1 januari 2013 fors worden verlaagd (bijvoorbeeld voor een middelloonregeling van 2,25% naar 2%). Ook het individueel sparen voor pensioen (de zogenaamde ‘derde pijler’) wordt flink aan banden gelegd.

De MHP roept op voorhand de Tweede Kamer op om niet akkoord te gaan met deze zéér ingrijpende maatregelen. De voorgestelde verlagingen van de opbouwpercentages waarbinnen fiscaal vriendelijk pensioen kan worden opgebouwd, leiden voor 80% van de deelnemers tot een fikse versobering van hun pensioenopbouw. Hierdoor kan vanaf 2013 gemiddeld 11% minder pensioen per jaar worden opgebouwd.

Minister Kamp heeft bij de indiening van het wetsvoorstel aangegeven dat het wetsvoorstel van tafel is op het moment dat er alsnog een pensioenakkoord van sociale partners komt, waarmee het kabinet eveneens kan instemmen. Nu de FNV de gelederen weer lijkt te hebben gesloten, wordt er opnieuw volop onderhandeld. Daarbij zijn en blijven voor de MHP het borgen van de pensioenrechten, koopkrachtbehoud van aanvullende pensioenen, een flankerend ouderenbeleid op de arbeidsmarkt en medeverantwoordelijkheid van werkgevers in een toekomstbestendig pensioenstelsel, belangrijke uitgangspunten.

De komende maanden gaan de vakbonden en vakverenigingen van leraren die met elkaar De Onderwijscoöperatie (voorheen SBL) vormen aan de slag met een heldere beschrijving van het beroep leraar en de eisen die tenminste moeten worden gesteld aan diegenen die het beroep (willen) uitoefenen. De leden van De Onderwijscoöperatie nodigen u uit  hier aan mee te werken. In deze folder leest u wat dat inhoudt en wat u kunt doen om een bijdrage te leveren.

 De Onderwijscoöperatie

Sinds maart 2011 bestaat De Onderwijscoöperatie. Dit is een samenwerkingsverband van AOb, CNV Onderwijs, CMHF, het Platform Vakinhoudelijke Verenigingen VO (PVVVO) en BON. Gezamenlijk staan deze organisaties voor een versterking van het beroep leraar. Het doel: een sterke beroepsgroep. Met u en voor u, dat is het motto.

 Drie speerpunten van de Onderwijscoöperatie
Goede leraren zijn cruciaal voor goed onderwijs. Om de kwaliteit van het leraarschap te waarborgen richt de  Onderwijscoöperatie zich op drie zaken:

.     De beroepsstandaard  van de leraar. De Onderwijscoöperatie helpt bij het stellen van kaders en het ontwikkelen van normen die de kwaliteit van het vak waarborgen: wat moet een leraar precies kennen en kunnen om een goede leraar te zijn?

De Onderwijscoöperatie neemt ook de verdere professionalisering onder de loep: welke opleidingen en nascholingscursussen dragen hieraan bij en hoe kan een lerarenregister de beroepskwaliteit versterken.

.     De professionele ruimte van de leraar. De Onderwijscoöperatie wil een bijdrage leveren aan het versterken van de positie van de leraar : krijgt hij ruimte om als professional zijn vak goed uit te oefenen? Welke randvoorwaarden zijn hiervoor nodig en hoe kan hij zich verder ontwikkelen?

·     Het imago van het beroep. De onderwijscoöperatie wil het beroep van leraren positief voor het voetlicht brengen. Leraren zijn trots op hun vak en willen dat graag uitdragen.

 Herijking bekwaamheidseisen

De bekwaamheidseisen van de wet Beroepen in het Onderwijs zijn aan herijking toe.

Centraal staat de vraag: wat houdt het in om leraar te zijn en wat moet iemand tenminste weten en kunnen om het beroep verantwoord uit te oefenen?

In 2004 heeft de Stichting Beroepskwaliteit en ander Onderwijspersoneel (SBL, vanaf 2011 omgevormd  tot de Onderwijscoöperatie) voor het eerst een antwoord gegeven op deze vragen. De inhoud en de opdracht van het lerarenberoep en de bekwaamheid die daarvoor nodig is, zijn gedefinieerd in zeven onderwijscompetenties. Voor elke competentie is beschreven wat de leraar tenminste moet weten en kunnen: de bekwaamheidseisen. De overheid heeft destijds het voorstel van SBL grotendeels overgenomen.

Vanaf augustus 2006 is de Wet BIO van kracht en hebben de bekwaamheidseisen een wettelijke basis. In de wet is ook vastgelegd dat de beroepsgroep tenminste eens per zes jaar de gelegenheid heeft de bekwaamheidseisen te herijken en waar nodig bij te stellen. De eerste termijn van zes jaar loopt af in het voorjaar van 2012.

De Onderwijscoöperatie heeft nu de opdracht de herijking van de bekwaamheidseisen gereed te hebben in het voorjaar 2012. Wij willen dat samen met u doen. In het voorstel voor de bekwaamheidseisen  moet de stem van de leraar duidelijk, herkenbaar en representatief doorklinken. Daarom deze uitnodiging aan u: doe mee!

 Wat en hoe

Herijken houdt in dat de bestaande beschrijving van beroepsbekwaamheid (momenteel  zeven SBL onderwijscompetenties) en de bekwaamheidseisen kritisch tegen het licht worden gehouden met het oog op verbeteren en actualiseren. De werking van de Wet BIO en de bekwaamheidseisen is de afgelopen zes jaar op verschillende manieren geëvalueerd en er zijn verschillende aanbevelingen gedaan voor verbetering. Ook bij veel leraren zelf leeft het idee dat het goed is om de essentie van het beroep en de beroepsbekwaamheid duidelijker en concreter te formuleren. Dat gaat dus gebeuren. In twee etappes.

 Eerst wordt in samenspraak met een representatieve groep van ongeveer 100 leraren uit po, vo en mbo een voorstel gemaakt. Het is de bedoeling dat die eerste etappe in de maanden vóór en na de zomervakantie van 2011 is afgerond.

De tweede etappe is het op gang brengen van het gesprek in de praktijk zelf. Na de zomervakantie wordt dat gesprek georganiseerd. In scholen, met regionale en landelijke bijeenkomsten en via internet. Naast leraren zelf kunnen ook werkgevers, schoolleiders, ouders, leerlingen en lerarenopleiders deelnemen aan dit gesprek. Het commentaar uit dit gesprek wordt verwerkt, en weer voorgelegd aan de groep van 100 leraren. Het uiteindelijke voorstel wordt vervolgens formeel vastgesteld door het bestuur van De Onderwijscoöperatie en ingediend bij de Minister van OCW. Die beslist over dit voorstel. 

Meedoen

De resonansgroep  van 100 leraren die het nieuwe voorstel gaat formuleren, bestaat uit leraren uit alle sectoren van het basisonderwijs, het voortgezet onderwijs, het middelbaar beroepsonderwijs, inclusief de verschillende vormen van speciaal onderwijs. U kunt hieraan deelnemen als u:

·        leraar bent en met enthousiasme uw beroep uitdraagt;

·        bevoegd bent en serieus werk maakt van het onderhouden van uw bekwaamheid;

·        vindt dat de kwaliteit van het beroep en de beroepsuitoefening gewaarborgd moet worden;

·        tijd wilt investeren om u te verdiepen in dit onderwerp en in uw eigen school hierover met collega’s in gesprek wilt gaan.

 

UNIENFTO-ledenkunnen zich aanmelden bij de secretaris, de heer Jan van den Dries (e-mail: jvandendries@planet.nl)

 Inzet en vergoeding

De resonansgroep van leraren komt vijf keer  bij elkaar. In 2011 twee maal voor de zomervakantie en tweemaal daarna. De laatste bijeenkomst is in januari 2012. De bijeenkomsten vinden plaats van 17.30 tot 21.00 uur, voor een eenvoudige maaltijd wordt gezorgd. In het najaar wordt het gesprek met de collega’s in de eigen school georganiseerd, daar wordt hulp bij geboden. Tussen de bijeenkomsten door wordt het contact onderhouden via de interne website van de onderwijscoöperatie. Voor uw werk in de resonansgroep ontvangt u een vergoeding.

CMHF, AOb en CNV Onderwijs hebben met de werkgeversorganisatie VO-Raad een principeakkoord bereikt over  een nieuwe cao voor de ruim 100.000 werknemers in het voortgezet onderwijs. Deze gaat in op 1 augustus van dit jaar en heeft een looptijd van een jaar. Een van de afspraken is dat inkorting van de zomervakantie van de leerlingen niet mag leiden tot minder vrije dagen voor docenten. Het ondersteunend personeel krijgt een hogere eindejaarsuitkering.
 
Zomervakantie
Tussen de partijen is in de afgelopen maanden vooral intensief onderhandeld over de consequenties voor docenten van de nieuwe Wet onderwijstijd. Hierin wordt de zomervakantie voor leerlingen met 5 dagen ingekort. Dit wordt gecompenseerd met 5 roostervrije dagen die door de school worden vastgesteld met instemming van de (gemeenschappelijke) medezeggenschapsraad. Afgesproken is dat de roostervrije dagen voor docenten onder hetzelfde regime vallen als die van de leerlingen.
 
Onbevoegde docenten
In de cao is ook opgenomen dat onbevoegden 2 jaar de tijd krijgen om hun bevoegdheid te halen. De onderwijsbonden zijn daarom met de werkgevers overeengekomen dat een onbevoegd docent maximaal 2 jaar onder contract van een instelling kan staan. Het betrokken schoolbestuur geeft de docent in die tijd de gelegenheid zijn opleiding te voltooien. Na afronding van de opleiding krijgt de docent een dienstverband voor onbepaalde tijd in een passende salarisschaal.
 
Eindejaarsuitkering
Vanwege de nullijn waren er nauwelijks mogelijkheden voor de loonontwikkeling. Daarom is besloten de minimale ruimte die er was gericht alleen in te zetten aan de onderkant van het salarisgebouw. Het resultaat is dat ondersteunend personeel tot schaal 8 in het onderhandelingsresultaat een hogere eindejaarsuitkering krijgt van € 1.200, een verhoging van ten minste € 230.
 
Verlofregeling
De partijen hebben verder afgesproken dat er onderzoek komt naar de mogelijkheden om in de volgende cao een verlofregeling op basis van persoonlijk budget op te nemen. Personeel zou afhankelijk van de resultaten van het onderzoek daardoor de mogelijkheid kunnen krijgen om het verlof in overleg met de werkgever af te stemmen op privésituatie en werk.

Werkdruk
Daarnaast hebben werkgevers en vakbonden afgesproken in deze cao geen nieuwe centrale afspraken te maken over de werkdruk. Dit blijft een gedeelde verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer die onder andere is gebaseerd op gelijkwaardigheid en zorgvuldigheid.
 
De VO-Raad en de vakbonden CMHF en CNV Onderwijs leggen het resultaat de komende weken als akkoord ter instemming voor aan hun achterban. De Algemene Onderwijsbond beschouwt het als een onderhandelingsresultaat waarover de leden zich kunnen uitspreken.

Dat zegt MHP-bestuurder Eddy Haket. Hij toont zich gelukkig over het besluit van de FNV om verder te gaan met de uitwerking van het Pensioenakkoord, gezamenlijk met de vakcentrales MHP en CNV en de werkgeversorganisaties. De pensioenen van werknemers en gepensioneerden moeten zeker worden gesteld.

Over de financiële risico's van een gemoderniseerd pensioenstelsel zegt Haket: "De MHP en haar achterban van middengroepen en hoger personeel wil een robuuste en fatsoenlijke oudedagsvoorziening. Een goed akkoord over AOW en aanvullende pensioenen is ons doel. Honderd procent garanties bestaan ook nu niet voor het huidige pensioenstelsel: er zijn pensioenfondsen, die nu al genoodzaakt zijn de uitkering te bevriezen of te korten. Als wij alles bij het oude laten, zal door de vergrijzing het systeem op den duur onbetaalbaar worden. Daarom werken wij sinds najaar 2010 aan een pensioenstelsel dat ervoor zorgt, dat naast de AOW ook de aanvullende pensioenen geborgd zijn voor nu en later. Zodoende komt er weer uitzicht op een AOW, die meestijgt met de verdiende lonen. Tegelijkertijd werken werknemers en werkgevers aan een robuuste opzet voor het aanvullende pensioen, dat bestand zal zijn tegen crises".

Eddy Haket zegt dat een goed eindresultaat nog steeds binnen handbereik is. De wil om in het zicht van de haven eruit te komen, is aanwezig. Zowel bij werkgevers, werknemers als bij minister Kamp van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De laatste loodjes wegen ook zwaar voor de MHP.  Eén daarvan is, dat de financiële marktrisico’s niet eenzijdig bij de werkenden en gepensioneerden neergelegd mogen worden. 

Onacceptabel

"Het is ongewenst als de werkgever niet meer medeverantwoordelijk zou zijn. Het aanvullende pensioen is uiteindelijk een arbeidsvoorwaarde - uitgesteld loon - waarin de werkgever per definitie ook een verantwoordelijkheid heeft. De MHP heeft zich hiervoor van begin af aan al sterk gemaakt. Wij zijn blij, dat we geen roepende in de woestijn zijn. Wij stellen in ieder geval als voorwaarde dat dit voor de werknemers cruciale punt in de eindtekst wordt vastgelegd".

Ombuiging passend onderwijs en langstudeerders getemporiseerd

De door de gezamenlijke vakbonden fel bekritiseerde bezuiniging op passend onderwijs en de maatregel voor langstudeerders worden later ingevoerd. De vertraging wordt opgevangen binnen de begroting van OCW.

De invoering van passend onderwijs gaat door, maar de bezuiniging start een jaar later en wordt geleidelijker. Het kabinet wil hiermee een zorgvuldige invoering van passend onderwijs bevorderen.

De langstudeerdersmaatregel blijft intact maar wordt een jaar opgeschoven, van september 2011 naar september 2012. Dit uitstel geeft studenten een jaar de tijd om zich voor te bereiden op invoering van de maatregel. Het uitstel geldt ook voor de efficiencykorting op de instellingen in het hoger onderwijs. De tijdelijke bezuiniging bij de universiteiten en hogescholen, die vooraf ging aan de investeringen, is met dit pakket van de baan.

De vertraging wordt gedekt uit incidentele ruimte op de OCW-begroting, middelen voor de prijsbijstelling en een korting op de middelen voor uniforme toetsing, maatschappelijke stage en prestatiebeloning.

Geplande staking afgelast! Bonden gaan voor behoud werkgelegenheid.

Vanwege het jaar uitstel van de bezuinigingen op Passend Onderwijs hebben de gezamenlijke onderwijsbonden besloten om de staking van 19 mei a.s. af te gelasten. De acties hebben de minister doen inzien dat zij meer tijd moet nemen om een nieuw en beter stelsel van Passend Onderwijs op te zetten.

AOb, CNV Onderwijs, AVS en Federatie Onderwijsbonden CMHF/MHP (met onder meer de UNIENFTO) gaan door met het ontwikkelen van alternatieve plannen, om een kwalitatief goed werkende opzet van passend onderwijs neer te zetten, beter dan het huidige plan van de minister. De minister heeft in haar brief aangekondigd dat zij daarover ook overleg wil voeren met de onderwijsorganisaties.

In die plannen zullen de bonden streven naar maximaal behoud van arbeidsplaatsen in het onderwijs. Het uitstel betekent voor 1.500 fulltime banen dat zij zonder de tussenstap van ontslag van hun huidige school kunnen overstappen naar de nieuwe samenwerkingsverbanden. Toch dreigt nog een aanzienlijk banenverlies. Voor 6.000 fulltime banen betekent het uitstel dat deze nu per 1 augustus 2013 vervallen in plaats van op 1 augustus 2012. De bonden verzetten zich nog steeds tegen het verlies van 6.000 banen. Zij willen tijdens het overleg het aantal ontslagen minimaliseren, omdat deze mensen nodig zijn om kwalitatief goed onderwijs aan zorgleerlingen te geven.

Mocht dat niet lukken, dan sluiten de vakbonden nieuwe acties niet uit. De tijdwinst van een jaar biedt hoogstens enig soelaas om meer mensen binnen het onderwijs te herplaatsen.

De plannen van minister Van Bijsterveldt om de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) op te vijzelen, zijn onhaalbaar en onbetaalbaar. Alle 66 instellingen voor mbo schrijven dit in een brief aan de minister.

De brief van alle MBO-scholen is gepubliceerd in de Volkskrant.  'Met dit plan legt de minister de lat deze keer voor zichzelf te hoog', zegt MBO Raad-voorzitter Jan van Zijl.

Kern van de kritiek is dat de plannen van de minister afbreuk zullen doen aan het vakmanschap van de afgestudeerden; meer algemene, theoretische vakken ten koste van praktisch vakmanschap. Van Zijl noemt deze 'doorgeschoten avoïsering' ongewenst.

"Natuurlijk moet ook iemand met een mbo-3-diploma een fatsoenlijke brief kunnen schrijven", zegt hij. "Maar je moet keuzes maken. Je kunt niet van alles het hoogste hebben."

Minister Van Bijsterveldt presenteerde haar plan Focus op Vakmanschap half februari. Ze reageerde op de groeiende kritiek de afgelopen jaren dat veel mbo-opleidingen te weinig structuur en vaste lessen bieden, en dat het niveau van de afgestudeerden te zeer uiteenloopt.

Taal en rekenen
Het actieplan van de minister, dat al op 1 januari 2013 moet ingaan, verhoogt het minimumaantal lesuren in met name het eerste cursusjaar op het mbo van 850 naar 1000. Het belang van de stage krimpt ten gunste van algemene vakken als taal en rekenen, en de opleidingsduur wordt ingekort van 4 naar 3 jaar.

De mbo-scholen zeggen zich te goed kunnen vinden in de richting die de minister voorstaat, met name het compacter en uitdagender maken van het onderwijs. Maar de gedetailleerde uitwerking van het plan vinden ze onuitvoerbaar en veel te duur.

De MBO Raad vroeg adviesbureau Ernst & Young de maatregelen door te rekenen. Alleen al het aanbieden van zo veel meer lesuren voor de leerlingen blijkt ruim 483 miljoen euro extra te kosten. "De minister stelt 150 miljoen ter beschikking, maar daarvan wordt meteen 100 miljoen ingeboekt van het inkorten van de opleidingen", rekent Van Zijl mee. "Per saldo blijft er dus 50 miljoen over voor een majeure operatie die de sector veel meer geld kost."

Te pittig
De scholen vrezen ook dat een zo sterke focus op rekenen en taal, ten koste van stages, voor veel leerlingen te pittig zal blijken. "De minister schiet door", zegt Van Zijl. Consequenties: juist meer uitval en met name op de niveaus 2 en 3 mensen op de arbeidsmarkt met veel te weinig praktische vakkennis.

De MBO Raad vraagt de minister haar plannen op twee punten aan te passen: minder opleidingen inkorten van vier naar drie jaar, en een soepeler omschrijving van het begrip onderwijstijd. "Voor het eerste jaar is hiervoor 750 uur per jaar gereserveerd, de rest is stage. Dat kan alleen als niet alles in een klas met een krijtje voor het bord hoeft", zegt Van Zijl.

"Als onderwijstijd ook kan bestaan uit werken onder toezicht aan projecten of huiswerk, helpt dat al veel."

De afgelopen weken is het overleg over de uitwerking van het Pensioenakkoord van 4 juni 2010 niet uit het nieuws te slaan. In de Stichting van de Arbeid (StvdA) en in het overleg tussen de StvdA en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) wordt al maandenlang gesproken en onderhandeld over de AOW, de aanvullende pensioenen en een flankerend arbeidsmarktbeleid om oudere werknemers daadwerkelijk in staat te stellen tot (een hogere) pensioenleeftijd door te werken. De aanvullende pensioenen liggen het meest gevoelig bij de verschillende achterbannen. Partijen streven ernaar de spelregels rondom de aanvullende pensioenen zodanig te wijzigen, dat er uitzicht ontstaat op een fatsoenlijk toekomstig pensioen dat koopkrachtbestendig is. Niet alleen voor de huidige gepensioneerden, maar ook voor de werknemers die in de toekomst met pensioen gaan. Sociale partners willen daarbij de fundamenten van het Nederlandse pensioenstelsel overeind houden. Er is, ondanks alle discussies, wel degelijk een belang om op korte termijn tot een akkoord te komen. In een brief aan de Tweede Kamer heeft minister Kamp namelijk geschreven de maatregelen, zoals aangekondigd in het regeerakkoord, op korte termijn in een wetsvoorstel neer te leggen. Dit betekent dat de regels waaraan pensioenfondsen moeten voldoen, aanzienlijk worden aangescherpt en de koopkracht van (opgebouwde) pensioenen onder druk komt te staan, omdat pensioenfondsen dan extra buffers moeten gaan aanhouden. Alleen een tripartiet akkoord kan dit voorkomen. De MHP hoopt als een van de onderhandelingspartners dat sociale partners gezamenlijk snel tot een akkoord weten te komen. Daarbij dient zorgvuldigheid wel voorop te blijven staan, omdat het gaat om zeer grote belangen. Wij praten volgens recente berichten in het Financieel Dagblad zelfs over een pensioenvermogen van in totaal € 1 biljoen (€ 1.000.000.000.000). Dit is ruim anderhalf maal het bedrag dat we in Nederland met z’n allen verdienen in een jaar !

Richard Steenborg (63) beëindigt na drie jaar zijn voorzitterschap bij de vakcentrale MHP per 1 juli a.s. conform contract. Steenborg vindt dat zijn karwei er op zit.

 “Mijn visie voor de toekomst om te komen tot één ongedeelde MHP is overgenomen en bekrachtigd door alle bondsvoorzitters tijdens een recente bijeenkomst op Terschelling. De uitvoering van de transitie naar één, herkenbare MHP-organisatie laat ik graag aan iemand van de volgende generatie over. Het voorstel van het Algemeen Bestuur van de MHP om mijn contract te verlengen met een tweede termijn zal ik dan ook niet honoreren. Ik laat een solide en financieel gezonde vakcentrale achter, die toekomstbestendig is. Vanuit deze basis moeten deskundige bestuurders van de MHP samen met mijn opvolger in staat zijn de MHP te positioneren en profileren als dé belangenbehartiger van de middengroepen en het hoger personeel in Nederland."

 Vandaag hebben zowel het Algemeen Bestuur als de Ledenraad veel waardering uitgesproken voor Steenborg, zowel voor hem als persoon als voor de door hem bereikte resultaten. Steenborg sprak op zijn beurt van ‘drie ongelooflijk fascinerende jaren’ en bedankte de MHP-achterban voor het in hem gestelde vertrouwen.

 Ook het MHP-bureau is Richard Steenborg buitengewoon erkentelijk voor de prettige samenwerking al die jaren.

Het kabinet heeft een alternatief gevonden voor 30-plus studenten in het mbo. Kern van het voorstel, waarmee de ministerraad op voorstel van minister Van Bijsterveldt van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft ingestemd, is dat het aantal deels publiek bekostigde leerplaatsen jaarlijks ruimte biedt voor 47.000 deelnemers van 30 jaar of ouder.

 De financiering van de opleidingen voor 30-plussers worden begrensd tot twee jaar en zal in sterkere mate worden opgebracht door private financiering. Met name voor de zorgsector en de technische sector biedt dit alternatief goede handvatten om snel voldoende personeel op te leiden.

In het regeerakkoord is een leeftijdsgrens van 30 jaar voor publieke bekostiging van mbo-opleidingen geïntroduceerd. Uitgangspunt daarbij is dat het leven lang leren primair een verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers. Tijdens het debat over de regeringsverklaring heeft minister-president Rutte toegezegd in overleg te gaan met sociale partners om te bezien hoe het scholingsaanbod voor 30-plussers overeind kan blijven. Uit intensieve gesprekken die afgelopen tijd zijn gevoerd, is gebleken dat er voldoende draagvlak bestaat voor een alternatief voorstel waarmee een groot deel van het bekostigde onderwijs voor mbo-deelnemers ouder dan 30 jaar blijft gehandhaafd.

 

In het voorstel komt er een nieuw, arbeidsmarktgericht programma voor 30-plus-studenten. Er komen landelijke, sectorale afspraken tussen sociale partners en mbo-instellingen over de hoofdlijnen van het onderwijscurriculum en verkorting van de opleidingsduur. 30-plus studenten worden niet langer verplicht om burgerschapsonderdelen te volgen. Er wordt vanuit gegaan dat deze kennis op de werkvloer dan wel bij een eerdere opleiding is verworven. De 30-plus-studenten worden wel verplicht om uiteindelijk aan alle andere eisen van het kwalificatiedossier te voldoen.

Het nieuwe arbeidsmarktgerichte arrangement zal deels worden gefinancierd door de overheid (het ministerie van OCW circa 50 miljoen euro, het ministerie van VWS circa 20 miljoen euro). Er zal echter ook, conform het regeerakkoord, een hogere bijdrage worden gevraagd van werkgevers en werknemers door een verhoging van het cursusgeld. De opbrengsten van investeringen in scholing van werknemers komen immers vooral terecht bij de werknemers en werkgevers zelf. Wel kunnen werkgevers rekenen op een extra belastingvoordeel (verhoging afdrachtvermindering voor de BBL) mits zij een substantieel deel van de kosten van het cursusgeld voor hun rekening nemen. Hiermee wordt gestimuleerd dat werkgevers hun personeel financieel ondersteunen om een opleiding te volgen. Deze aanvullende afdrachtvermindering wordt gefinancierd door de bredere regeling afdrachtvermindering onderwijs te vereenvoudigen.

 

De drie vakcentrales FNV, CNV en MHP hebben in een brief aan de Tweede Kamer zich duidelijk uitgesproken tegen een vergaande bemoeienis vanuit Brussel met ons pensioenstelsel en de loonontwikkeling.

Als het aan Barroso en Van Rompuy - de leiders van de Europese Unie - ligt, komt er in de toekomst meer zeggenschap over de begroting van de afzonderlijke Eurolanden. De EU wil onder andere meer invloed hebben op de AOW, de aanvullende pensioenen, de hoogte van de Vennootschapsbelasting, de Inkomstenbelasting en de loonontwikkeling in de lidstaten. Al eerder heeft een meerderheid van de Tweede Kamer zich uitgesproken tegen een dergelijke bemoeienis vanuit Brussel. De MHP is niet tegen Europa, maar is wel van mening dat het primaat van de zeggenschap over de binnenlandse sociaal-economische inrichting bij de lidstaten moet blijven liggen.

De premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen van ABP stijgt per 1 april 2011 met 0,5%. De premieverhoging is een gevolg van de toegenomen levensverwachting. Omdat de dekkingsgraad van ABP eind 2010 flink is bijgetrokken, hoeft het fonds niet te korten op pensioenaanspraken en -uitkeringen. De tijdelijke opslag op de premie van 1%, in het kader van herstel van de financiële positie, blijft voorlopig gehandhaafd. ABP is van mening dat de dekkingsgraad nog te beweeglijk en het herstel te pril is om deze te laten vervallen.

Eind november 2010 kondigde ABP de premieverhoging al aan, maar het fonds beschikte toen nog niet over de nieuwste prognose van het CBS die medio december verscheen om de effecten daarvan te verwerken in de premie vanaf 1 januari 2011. Uit deze nieuwe prognose blijkt dat Nederlanders naar verwachting wederom ouder zullen worden dan tot nog toe werd aangenomen. De premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen stijgt per 1 april 2011 van 21,4% naar 21,9%. De premie Anw-compensatie daalt van 0,3% naar 0,2%.

De aanpassing van de pensioenpremies gaat in per 1 april 2011 en is zodanig bepaald dat de benodigde premieaanpassing voor het hele jaar wordt geïnd in de resterende 9 maanden van dit jaar. Bij ABP betaalt de werknemer 30% en de werkgever 70% van de premie voor ouderdoms- en nabestaandenpensioen, bij de premie Anw-compensatie is dat respectievelijk 75% en 25%. Deze aanpassing van de pensioenpremies kost de doorsnee deelnemer ongeveer 2 euro bruto per maand.

ABP beslist eind mei of de herstelopslag ook voor de tweede helft van dit jaar gehandhaafd moet blijven en of eventueel een gedeeltelijke aanpassing van de pensioenen aan de stijging van de lonen mogelijk is. Uitgangspunt voor dat besluit is de financiële positie van het fonds per eind april.

Elke leraar in het voortgezet onderwijs moet in de toekomst een mastergraad hebben. Dat zorgt voor betere prestaties van leerlingen, schrijft de Onderwijsraad in een vandaag gepresenteerd advies.

In landen waar middelbare scholieren goed presteren, blijken docenten vaker hoogopgeleid te zijn. Hoogopgeleide docenten zouden beter in staat zijn om in te spelen op de individuele talenten en behoeften van leerlingen. Maar in Nederland daalt het opleidingsniveau van docenten juist.

De Onderwijsraad stelt daarom voor om docenten met een bacheloropleiding een startkwalificatie te geven voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs, maar alleen op voorwaarde dat zij binnen vijf jaar een masteropleiding afronden. Een bachelor die al voor de klas staat, moet bovendien verplicht deelnemen aan bij- en nascholing. De UNIENFTO vindt het een prima plan om leraren hoger op te leiden, maar vraagt zich wel af wie dat allemaal gaat betalen. Daarvoor zullen goede afspraken nodig zijn tussen sociale partners.

Docenten die niet op tijd hun master halen (ze zijn vrij in de keuze voor een programma) of weigeren zich bij te scholen, krijgen een aantekening in het nog te ontwikkelen lerarenregister en wordt de lesbevoegdheid ontnomen.

Het advies is een reactie op het ‘Actieplan Beter Presteren’ dat minister Van Bijsterveldt onlangs presenteerde om de prestaties van leerlingen in het voortgezet onderwijs te verbeteren. De Onderwijsraad – een onafhankelijk adviescollege van de regering – pleit daarnaast voor de invoering van een toets in de onderbouw om de vorderingen van leerlingen in de vakken Nederlands, Engels en wiskunde te meten

De UNIENFTO is blij met de aandacht die er bestaat voor het MBO. Er worden door de minister voorstellen gedaan om het aantal voortijdig schoolverlaters te verlagen, de opleidingen te intensiveren en het toezicht op de instellingen te verbeteren. Als we dit allemaal zien dan zouden we eigenlijk blij moeten zijn met dit soort maatregelen, ware het niet dat er eveneens een forse bezuiniging staat aan te komen.

·                 De bekostiging van de 30+ deelnemers lijkt te gaan vervallen

Dat is een regelrechte ramp, zeker wanneer we weten dat heel veel van dit soort deelnemers een opleiding volgen in de techniek- of in de zorgsector. En dat zijn nou juist sectoren die bij uitstek zitten te springen om nieuw goed opgeleid personeel en die met deze bezuiniging hun infrastructuur aan diggelen zien vallen.

·                 Opleidingen worden geïntensiveerd en verkort

De vierjarige BOL-opleiding kan in de toekomt in drie jaar worden afgerond. Eerstejaars deelnemers worden vervolgens hoger bekostigd dan 2e die weer beter worden bekostigd dan 3e jaars deelnemers. De onderwijstijd wordt verhoogd naar minimaal 1000 klokuren met minstens 750 te verzorgen onderwijsuren door de onderwijsinstelling.

“Mooi”, zeggen we als UNIENFTO, “dit betekent dus meer en beter betaalde docenten voor de klas”. “Nee”, zegt de minister, “dit verzorgen van de lessen gaat onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van bevoegd onderwijspersoneel” (hoe wazig kan men zijn?!). Met andere woorden: iedereen mag lessen verzorgen, als er maar een docent verantwoordelijk is voor en betrokken is bij dit proces. Onze vrees is een enorme toename van instructeurs en ander lager gehonoreerd OBP-personeel met de nodige dola’s (docenten op loopafstand) erbij.

·                 Professionaliseren van docenten

Er komt een verplichting tot na- en bijscholing en een inrichting van een lerarenregister.

Wat ik hier mis, is de mogelijkheid om ook echt carrière te maken middels deze verplichte na- en bijscholingen. Ook dit is weer een gemiste kans om docenten door te laten stromen van LB naar LC of LD.

 

·                 Vereenvoudiging kwalificatiestructuur en rol van de Kenniscentra

De kenniscentra blijven functioneren wanneer het gaat om het onderhouden en ontwikkelen van kwalificaties. Ook is het op peil houden van het aantal stagebedrijven nog steeds de taak van de kenniscentra. Alleen is er wel een efficiencykorting op de kenniscentra van toepassing en zal ook hier fors bezuinigd gaan worden op de infrastructuur! Hopelijk levert de nieuw gevormde Stichting Beroepsonderwijs Bedrijfsleven niet alleen een bezuiniging op, maar ook intensievere samenwerking met het landelijke en regionale bedrijfsleven.

De Inspectie gaat zich intensiever bemoeien met het MBO en brengt resultaten van opleidingen landelijk in kaart.

·                 Drempelloze instroom MBO 2 is verleden tijd

Op zich is dit een goede maatregel, omdat hier een serieus toelatingstraject mee is gemoeid.

Nu is een diploma MBO 1 verplicht of een VO-diploma. Het nadeel is echter dat niveau 1 deelnemers slechts gedeeltelijk worden bekostigd en dat de rest van de middelen via de betreffende gemeente kan worden geworven. Mijns inziens een extra belemmering om efficiency te bewerkstelligen.

·                 Bestuurders en teamleiders krijgen van de minister een eigen “gereedschapskist”

Omdat studenten volgens OCW moeten kunnen rekenen op goede lesroosters, gevarieerde lesmethoden en goede voorlichting, krijgen de genoemde bestuurders via het programma MBO 210 een gereedschapskist met praktische instrumenten om de bedrijfsvoering te verbeteren.

Ook komt er een tevredenheidonderzoek onder studenten, medewerkers en bedrijfsleven over het betreffende onderwijs. Resultaten zijn te zien in de jaarlijkse Benchmark van de MBO Raad. Zou hierin ook al niet jaarlijks de groei te zien zijn van LB-, naar LC- en naar LD-docenten?

Kortom: veelbelovende plannen, maar omgeven met de nodige zorgen omtrent de financiering, maar hopelijk met als uiteindelijk resultaat een nog betere waarborging van de kwaliteit van het MBO.

De Tweede Kamer moet nog beslissen, maar als het aan de minister ligt, dan is de bekostiging van 30+ deelnemers vanaf 1 augustus 2012 verleden tijd en gaan het verkorten van de 4-jarige opleiding en het vervallen van de drempelloze instroom in per januari 2013.

Het kabinet heeft recent besloten om de onderwijstijd voor de leerlingen vast te stellen op 1000 klokuren per jaar (met uitzondering van de examenklassen), maar ook dat de zomervakantie van de leraren in het voortgezet onderwijs met een week worden ingekort (met ingang van het schooljaar 2012/2013).

De minister heeft de bevoegdheid om de zomervakantie vast te stellen en door de koppeling van de vakanties van de leraren aan die van de leerlingen zou daarmee dus ook onze vakantie in het geding zijn.

In een tijd waarin er geen geld voor een loonstijging lijkt te zijn (nullijn voor de overheidssector) en het lerarentekort in de komende jaren steeds groter zal worden vindt de UNIENFTO dit, evenals de andere CMHF-onderwijsbonden, een onbegrijpelijk voorstel. De vakantie van het personeel in het voortgezet onderwijs is een cao-onderwerp dat we niet meer met de minister maar met de VO-raad bespreken, dus we zullen er alles aan doen om de omvang van het verlof op hetzelfde niveau te houden. Op 1 maart a.s. zullen de onderhandelingen voor een nieuwe CAO VO starten. Binnenkort zullen we de gezamenlijke inzet van de bonden publiceren: dat de vakantie hier een plek in krijgt, zal duidelijk zijn!